Pedagogiek
in praktijk

Zwakste lezers niet (meteen) geholpen met oefenen op fouten

Als kinderen leren lezen, gaat er vaak veel aandacht uit naar de fouten die zij maken. Dáár wordt op geoefend. Maar dat is niet altijd zinvol, stelt Esther Steenbeek-Planting, onderzoeker psycholinguïstiek. Totdat kinderen het niveau hebben bereikt dat ze eind groep 3 zouden moeten hebben, is het beter om vooral te oefenen op wat goed gaat. Steenbeek-Planting promoveert op 8 juni aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Esther Steenbeek-Planting deed onderzoek onder de allerzwakste lezers: kinderen met dyslexie of andere leesproblemen. En ze concludeert: het oefenen op fouten heeft pas zin vanaf het punt dat een kind het leesniveau bereikt heeft dat het zou moeten hebben aan het eind van groep 3. Daarvoor kunnen onderwijzers (en ouders) beter oefenen op wat het kind goed af gaat.

'Als je met zwakke lezers onder dat eind-groep-3-niveau oefent op wat goed gaat, gaan ze sneller en preciezer lezen. Vooral dat sneller lezen is bijzonder, want meestal wordt er, als het gaat om leestraining voor de allerzwakste lezers, geen vooruitgang gevonden in leessnelheid.'

Het lijkt erop dat zwakke lezers gebaat zijn bij eerst een periode van 'inslijpen', waardoor ze een steviger basis krijgen voor hun verdere 'leescarrière'. 'Het is een kwestie van werken van grof naar fijn. Als de basis goed is, kun je gaan werken aan de finesses.' En dat betekent dat vanaf het eind-groep-3-leesniveau wél geoefend moet worden op fouten. 'Maar die krijgen kinderen daarna dan ook sneller onder de knie.'

 

(Bron: Radboud Universiteit Nijmegen)



Naar homepage