Soort zoekt soort? 'Dat geldt inderdaad voor prosociale vriendschappen tussen prosociale adolescenten. Zo heb ik de adolescenten genoemd die coöperatief zijn, aardig en behulpzaam. Maar je ziet ook vriendschappen tussen meer teruggetrokken adolescenten of adolescenten die vaak gepest worden en 'helpers', prosociale adolescenten. De antisociale adolescenten die een vriendschap aangaan met een minder antisociale vriend, leveren vaak een duo op dat toch nog bovengemiddeld scoort op antisociaal gedrag.'
Als een kind maar vriendjes heeft, dan komt het wel goed? 'Dat wordt wel beweerd op basis van eerder onderzoek: dat het in het algemeen goed is voor de ontwikkeling van kinderen om vrienden te hebben. Nu ik preciezer ben gaan kijken naar typen vriendschap blijkt dat toch genuanceerder te liggen. Sommige vroegadolescenten die functioneren in een antisociale vriendschap, scoren niet hoger op welbevinden dan die zonder vrienden, of zelfs slechter.'
Waar je mee omgaat, daar word je mee besmet? 'Er is een hypothese dat vrienden veel op elkaar lijken, doordat ze zich aan elkaar aanpassen. Mijn data wijzen er meer op dat ze al van het begin af aan op elkaar lijken. Je raakt vaak bevriend met iemand die veel op je lijkt. Eerder een kwestie van selectie dan van adaptatie.' Verder vond Güroğlu geen bewijs voor de overdracht van antisociaal gedrag. Een kind dat bevriend is met een antisociale pester, zal zelf niet per se meer gaat pesten in de jaren die volgen. Dat vriendschap goed is voor ons welbevinden is bekend. Alleen hoe dat werkt, was niet bekend, stelt Güroğlu. 'Ik heb voor het eerst in het brein onderzocht wat de reacties zijn op het zien van vrienden. Daarvoor had ik een groep nodig die elkaar goed kent en geregeld ziet. Zo kwam ik terecht bij het Nijmeegse studentenorkest Q-harmony. Alle leden vulden een vragenlijst in over wie ze aardig vonden en wie niet en met wie ze bevriend waren. Ook vroeg ik ze naar hun waardering van beroemdheden: aardig of niet. Zo kon ik voor iedere deelnemer een eigen set dia's maken: met persoonlijke vrienden, minder geliefde orkestleden en, voor de controle, hoog- of juist laaggewaardeerde beroemdheden.
Op de hersenscanner was duidelijk te zien dat het zien van een persoonlijke vriend de sterkste activering van de hersengebieden voor beloning en empathie lieten zien. En van met name dat eerste is bekend dat het beloningsgebied bij depressieve mensen minder actief is. Dit suggereert dat vrienden belangrijk kunnen zijn voor het vermijden van stoornissen zoals depressie.'
Bron: Radboud Universiteit









