Pedagogiek
in praktijk

Voorschoolse kinderopvang

De ontwikkeling van de voorschoolse kinderopvang tot een heuse professie vraagt om een eigen pedagogiek. Wilna Meijer waarschuwt voor de benadering waarbij kinderen vanaf de geboorte worden bekeken potentiële onderwijsachterstand.

De pedagogische preventiebrigade

Wilna Meijer

De ontwikkeling van de voorschoolse kinderopvang tot een heuse professie vraagt om een eigen pedagogiek. Wilna Meijer waarschuwt voor de benadering waarbij kinderen vanaf de geboorte worden bekeken potentiële onderwijsachterstand.

De voorschoolse kinderopvang is na zo'n tien jaren van groei een bloeiende bedrijfstak geworden. Ging het eerst om een oppasvoorziening en richtte de aandacht zich voornamelijk op organisatie en eisen van hygiëne en veiligheid, tegenwoordig wordt hard gewerkt aan een eigen pedagogisch beroepsprofiel. Opleidingen Sociaal Pedagogisch Werk kennen een specialisatie kinderopvang. Instellingen voor kinderopvang moeten een pedagogisch beleidsplan hebben om voor erkenning in aanmerking te komen. Vrijwilligers, de gastmoeders en oppasoma's -die het overigens niet slechter deden dan de professionele kinderopvang (aldus Elly Singer in een interview in NRC-Handelsblad, 29-10-98) - hebben het veld moeten ruimen voor professionele centra en dito leidsters.

Twee benaderingen
Een heuse professie ontwikkelt zich en heeft behoefte aan profilering. De ontwikkeling van een eigen visie, een eigen pedagogiek voor de voorschoolse periode, hoort daarbij. Grofweg zijn twee richtingen te onderscheiden. In de ene wordt een eigen pedagogisch profiel gecreëerd in contrast met zowel gezin als school. Deze benadering lijkt vanuit de kinderopvang zelf te zijn ontstaan. We kunnen hier misschien vooral denken aan kinderen van tweeverdieners, die over het algemeen niet tot de risicogroepen behoren die in de tweede benadering centraal staan. Die tweede benadering accentueert de mogelijkheden van kinderopvang in het perspectief van de school. Preventie van onderwijsachterstand is het doel, en de kinderen om wie het primair draait zijn kinderen uit 'achterstandswijken', sociaal economisch zwak en vaak allochtoon. Het is geen toeval dat onderwijskundigen in deze tweede benadering het hoogste woord hebben en dat het ministerie van onderwijs zich ermee bemoeit.

Gezin noch school
Elly Singer wil zich bij het ontwikkelen van een eigen pedagogiek voor de kinderopvang niet aan de school spiegelen. Maar de in de opvang aanvankelijk gebruikelijke oriëntatie op het gezin of, preciezer, de moeder-kindrelatie (denk aan de vertrouwde idee van binding of hechting), wil ze ook niet te boven komen (vgl. Singer 1997, 1998). Daarom verschuift ze het accent van de relatie van het individuele kind met de leidster, die als vervangster van de moeder in essentie haar evenbeeld werd, naar de gemeenschap, de groep van kinderen met de leidster. Puttend uit haar observaties in kinderdagverblijven illustreert ze deze nieuwe opvatting van de rol van de leidster met de oudere. Een mooi voorbeeld van de oriëntatie op de moederrol is hoe leidsters meestal reageren als een kind gaat huilen: ze tillen het kind op en gaan er even ergens anders mee zitten om het te troosten. Ze zonderen zich af van de rest van de groep. Wie uitgaat van een 'pedagogiek voor groepsopvoeding' zal de andere kinderen er echter bij betrekken als 'leden van een team'. Dan neem je hen serieus. Kinderen van 2 en 3 willen heel graag helpen met huishoudelijk werk of het troosten van een kind'. De leidster moet zich als lid van de groep zien. Als zij zelf activiteiten onderneemt gaan de kinderen vanzelf meedoen. 'Dus niet verf en kwasten op tafel leggen en aanwijzingen geven, maar zelf gaan verven. Dat werkt heel aanstekelijk' (Singer 1997, 15).

Zonder blikken of blozen wordt gesteld dat kinderen als ze op school komen al een onderwijsachterstand van een jaar of anderhalf kunnen hebben.

In dit verband wordt het tegenwoordig wijdverbreide idee van participatie of participerend leren ook door Singer opgevoerd, onder verwijzing naar wetenschappelijke autoriteiten als Vygotskij en Bruner, maar ook naar 'de 13-jarige Maarten'. En terecht want het gaat inderdaad om common sense voor wie met aandacht naar kinderen wil kijken. Maarten zei: 'Als je op kleine kinderen past, moet je gewoon doen wat je zelf leuk vindt. Dan komen de kinderen vanzelf met je praten of meehelpen. En als hun dat verveelt, gaan ze lekker spelen' (id.).
Deze eerste benadering lijkt, zoals gezegd, uit de praktijk van de kinderopvang te zijn gegroeid en vond in die kringen ook navolging, bijvoorbeeld in het landelijke project Pedagogische vernieuwing in kindercentra van het NIZW (Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn). De tweede benadering die zich aftekent in het denken over kinderopvang komt meer voort uit de wereld van onderwijsbeleid en onderwijsonderzoek.

De voorschool
In Uitleg, het voorlichtingsblad van het ministerie van OC&W, werd in het kader van het 'nationale actieprogramma' Een leven lang leren ook aan peuters aandacht besteed: 'Ook peuter en kleuter verdienen een goed leerklimaat' en 'Een leven lang leren begint vroeg', kopte het artikel (Verzantvoort 1998). Daar is natuurlijk weinig tegen in te brengen, maar in het artikel wordt verder al snel duidelijk dat men bij leren vooral aan 'schoolse vaardigheden' denkt. Taalontwikkeling bijvoorbeeld is van vitaal belang voor preventie van onderwijsachterstand straks op school. Het zijn niet de eersten de besten die zich in de context van het artikel in Uitleg tot onderwijskundige aanbevelingen hebben laten verleiden over de inrichting van 'voorschoolse educatie': 'Volgens de hoogleraar onderwijssociologie prof.dr. G.W. Meijnen (Universiteit van Amsterdam) zouden kinderen in achterstandssituaties in ieder geval gebaat zijn met een gestructureerd curriculum en een onderwijsmodel dat leerkrachtgestuurd is'. En Leseman, onderzoeker van het SCO-Kohnstamminstituut van de Universiteit van Amsterdam, vindt het hoog tijd voor de beleidsmatige bemoeienis met het jonge kind.
Leseman zegt: 'Het zijn bij uitstek de vormende jaren en ze zijn in beleidsmatig opzicht schromelijk verwaarloosd'. En verder noemt hij het 'een van onze belangrijkste aanbevelingen dat onderwijs, als belangrijkste pedagogische institutie in een gemeente, een meer centrale rol krijgt'. In de meer strikt wetenschappelijke context van een pedagogisch tijdschrift laat Leseman (met anderen: 1998) zich wat voorzichtiger uit. Eerder evaluatieonderzoek van 'voor- en vroegschoolse centrumprogramma's' toonde voornamelijk korte termijn leereffecten op 'het gebied van taal en cognitie' die bovendien 'na ongeveer twee jaar grotendeels uitgedoofd' bleken (135). Het is pas de meta-analyse van evaluatieonderzoeken tussen 1985 en 1996, waarvan in het betreffende artikel verslag wordt gedaan, die iets meer basis biedt voor effectieve vroegtijdige interventie: 'Lange termijn effecten worden waarschijnlijk met name door een langere interventieduur en daarmee hogere intensiteit tot stand gebracht (…) Uit de meta-analyse volgen verder nog andere aanwijzingen die van belang kunnen zijn voor het optimaliseren van voor- en vroegschoolse interventies. De timing van het programma is van groot belang. Beginnen op een leeftijd van drie à vier jaar, eventueel nog eerder, is aan te bevelen; veel later beginnen heeft waarschijnlijk veel minder zin. De uitvoeringsverantwoordelijkheid dient, afgaande op de resultaten van de meta-analyse, bij professionals (leidsters en leerkrachten) te liggen' (150). Ouders moeten het heft uit handen geven aan de professionals.
Terwijl Singer het groepsleven in de kinderopvang centraal stelt om de exclusieve oriëntatie op de interactie tussen volwassene en kind te doorbreken, denken de onderwijskundigen louter en alleen in die laatste termen. Maar om moederen gaat het al lang niet meer. Het is al interventie en instructie wat de klok slaat.

Blikvernauwing
Het is kenmerkend voor de tweede benadering van de professionalisering van kinderopvang dat kinderen vanaf de geboorte worden bekeken op potentiële onderwijsachterstand. Ik vind deze blikvernauwing onthutsend. Alles, het hele leven van ouders en kinderen, wordt vanuit 'de onderwijsinsteek' bekeken. Alle proporties worden uit het oog verloren en van pedagogische bescheidenheid is geen spoor te bekennen (vgl. Meijer 1999). De professionele educatie dreigt een al te groot beslag te gaan leggen op het (samen)leven. Zoals wel vaker het geval is bij planning van sociale aangelegenheden zijn de motieven nobel, al zijn ze wat minder hooggestemd dan die van de onderwijskunde van enkele decennia terug. De middenschool bijvoorbeeld paste bij de politiek van die dagen, waarin sociaal-economische gelijkheid en rechtvaardige verdeling van macht en inkomen hoog in het vaandel stonden. Die rechtvaardigheid zou met gelijke kansen in het onderwijs beginnen. De onderwijskunde van nu past bij de politiek van nu en sociale cohesie is daarbij het trefwoord. Onderwijs moet maatschappelijke uitval en criminaliteit helpen voorkomen en een ieder toegang tot de arbeidsmarkt verschaffen. Intussen is het ideaal van de jaren 70 van de vorige eeuw, door onderwijs sociale gelijkheid realiseren, niet haalbaar gebleken. Maar in plaats van met een reëler beeld van de mogelijkheden én grenzen van onderwijs te gaan werken, is het utopische geloof in de almacht van onderwijs kennelijk onaangetast. Zonder blikken of blozen wordt gesteld dat kinderen als ze op school komen al een onderwijsachterstand van een jaar of anderhalf kunnen hebben. En dan komt het er maar op aan vroeger te beginnen met 'preventieve interventies' opdat onderwijsachterstand geen kans krijgt. Het onderwijs als oplossing voor maatschappelijke kwalen, als je er maar vanaf de geboorte mee begint.
Wat in discussies over kinderopvang en voorschoolse educatie vaak met het begrip 'ononderbroken ontwikkeling' wordt aangeduid is bij nader toezien eerder een kwestie van ononderbroken professionele interventie. Vroegtijdige én duurzame interventies zijn nodig om uitdoving van leereffecten te voorkomen, uitdoving die zonder de bepleite duurzaamheid kennelijk onvermijdelijk is. Vroeg beginnen en niet meer ophouden met professionele pedagogische interventies - tot op het moment dat de school de leerlingen aan de arbeidsmarkt aflevert. Zo kan goedbedoelde professionele bemoeienis verworden tot een storend, het leven verstorend 'continu pedagogisch bombardement' (vgl. Rietveld 1997). Dit citaat komt uit het praktisch pedagogische tijdschrift Vernieuwing, dat wel vaker met gezond verstand waakt tegen professionele blikvernauwing. Zo riep bijvoorbeeld Van der Wolf in Vernieuwing op tot meer bescheidenheid: 'Pedagogen zouden niet moeten meedoen aan het wekken van valse verwachtingen. Zij zouden terughoudend moeten zijn met het bij de politiek bepleiten van programma's waarvan de effecten zeer twijfelachtig zijn' (1997). Ik onderschrijf dit van harte. Het gaat niet aan om het hele kinderleven (en dat van de ouders erbij) op schoolprestaties en toekomstige arbeidsparticipatie te richten. Er is meer tussen wieg en graf dat telt dan werk en inkomen en aan dat economische doel afgemeten schoolprestaties.

Literatuur
Leseman, P.P.M., M.E. Otter, H. Blok & P. Deckers (1998). Effecten van voor- en vroegschoolse educatieve centrumprogramma's. Een meta-analyse van studies gepubliceerd tussen 1985 en 1996. Nederlands tijdschrift voor opvoeding, vorming en onderwijs. 9, nr. 3, p. 134-154.
Meijer, Wilna (1999). Er zijn grenzen. Een oproep tot pedagogische bescheidenheid. In: Wilna Meijer, Piet van der Ploeg & Daan Thoomes, Pedagogiek als tijdrede. Baarn: Intro 1999, p. 122-133.
Rietveld, P. (1997). Hoe jonger hoe beter? Pedagogisch bombardement of overheidsbemoeizucht. Vernieuwing. Tijdschrift voor onderwijs en opvoeding. 56, nr. 9, p. 21-22.
Singer, E. (1997). Op zoek naar inspirerende voorbeelden. Opleidingen en de eigen pedagogiek voor de kinderopvang. Vernieuwing. Tijdschrift voor onderwijs en opvoeding. 56, nr. 5/6, p. 13-15.
Singer, E. (1998). Prisoners of the method. Breaking open the child-centered pedagogy in day care centres. Comenius. 18, nr. 2, p. 131-146.
Verzantvoort, M. (1998). Ook peuter en kleuter verdienen een goed leerklimaat. Een leven lang leren begint vroeg. Uitleg. Publicatie- en voorlichtingsblad van Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. 14, nr. 7, 11 maart 1998, p. 28-31.
Wolf, K. van der (1997). Wordt het gezin ontoereikend gemaakt? Vernieuwing. Tijdschrift voor onderwijs en opvoeding. 56, nr. 9, p. 14-16.



Naar homepage