Willen we de kwaliteit van de kinderopvang verbeteren dan moeten we niet alleen werk maken van hygiëne en veiligheid, betoogt Louis Tavecchio. Juist voor professionals in de opvoeding buitenshuis behoort een pedagogische aanpak de kern te zijn. Maar daarvoor moeten we eerst af van het idee dat goede opvoeding alleen in het gezin plaatsvindt: 'De kinderopvang moet concurreren met een onrealistisch beeld van het gezin als het ideale opvoedingsmilieu.'
In de afgelopen tien jaar is de institutionele kinderopvang enorm gegroeid. Op dit moment maakt ongeveer een kwart van alle kinderen van nul tot vier jaar gebruik van professionele dagopvang. Voor kinderen in de 'basisschoolleeftijd' schommelt dit percentage rond de acht procent. Het lijkt erop dat een verdere groei en kwaliteitsverbetering van de kinderopvang in Nederland worden gedwarsboomd door de nog altijd sterk heersende moederschapsideologie en het bijbehorende ideaal van gezinsopvoeding, beide hardnekkige erfenissen van de Nederlandse verzuilingstraditie. Volgens recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau gaan veel vrouwen minder of niet werken, omdat zij hun kinderen niet aan anderen toevertrouwen. Zij houden hun kinderen liever thuis dan dat zij ze naar de kinderopvang brengen. Kinderopvang is niet alleen duur, maar in de ogen van deze moeders ook onvoldoende van kwaliteit. Veel andere vrouwen besluiten geen kinderen te nemen of die keuze uit te stellen omdat zij vrezen dat hun maatschappelijke carrière daarmee in het gedrang komt, zo wees onderzoek van de Nederlandse Gezinsraad onlangs uit (Pool & Lucassen, 2005). Dit terwijl de Wet kinderopvang die vorig jaar in werking trad het ouders juist mogelijk moest maken om arbeid en zorg makkelijker met elkaar te combineren. Kortom, een negatief beeld van de kinderopvang dreigt de ontwikkeling van deze sector tegen te houden. Is dat beeld juist?

Peiling
Het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO) heeft onlangs de derde landelijke peiling naar de kwaliteit van kinderdagverblijven afgesloten (Vermeer e.a., 2005). De conclusie van de peiling in 2005 luidt dat de kwaliteit van de kinderopvang is gedaald ten opzichte van eerdere peilingen in 1995 en 2001. Aspecten als individuele zorg (gezondheid, hygiëne en fysieke veiligheid) en activiteiten (aanwezigheid en toegankelijkheid van gevarieerd ontwikkelingsmateriaal) in de kindercentra zijn als onvoldoende beoordeeld en ze blijven achter bij internationaal gehanteerde normen.
In de berichtgeving over het NCKO-onderzoek heeft de negatieve beeldvorming over kinderopvang de boventoon gevoerd. De genoemde feiten kloppen over het algemeen wel, maar het accent is helaas vaak gelegd op de laagst scorende onderdelen. Zo is de daling bijvoorbeeld niet geconstateerd voor de sensitiviteit van de leidsters voor de kinderen; leidsters bleken de kinderen over het algemeen in behoorlijke mate emotionele steun te kunnen bieden. Dat is een belangrijk gegeven, omdat sensitiviteit van leidsters een kernaspect vormt van de pedagogische kwaliteit van kinderopvang. Daarnaast kunnen de aspecten waarop kinderdagverblijven nu tekortschieten vrij snel door handhaving door de GGD of serieus toezicht verbeterd worden. Het gaat daarbij onder andere om hygiëne, veiligheid, en kwaliteit en toegankelijkheid van ontwikkelingsmateriaal.
Hoe is de teruggang in kwaliteit te verklaren? Hierover kan op dit moment alleen gespeculeerd worden; door het NCKO werd daar geen onderzoek naar gedaan. Misschien ligt de oorzaak voor een deel in de explosieve groei van kindercentra in de afgelopen jaren, met daaraan gekoppeld een tekort aan gekwalificeerd personeel en een hogere werkdruk. Een hogere werkdruk kan ten koste gaan van de individuele zorg. Van leidsters wordt immers verwacht dat zij zowel zorg dragen voor de gezondheid en fysieke veiligheid van de kinderen, alsook hun taalontwikkeling, intellectuele en sociaal-emotionele ontwikkeling stimuleren.
Opleiding
De vraag is of daar bij de recente veranderingen in de opleiding voor kinderopvangwerkers in voldoende mate rekening mee is gehouden. De huidige opleiding is algemener dan de vroegere opleiding tot leidster kinderopvang en niet meer speciaal toegesneden op het werken met groepen jonge kinderen. Het gaat in feite om een specialisatie van ongeveer een jaar in de driejarige algemene zorgopleiding tot sociaal pedagogisch werker (SPW-3). Gemiddeld vijfentwintig procent van de lesstof gaat hoofdzakelijk over kinderopvang. Binnen dat percentage wordt vaak maar een klein deel gewijd aan specifieke kenmerken van de verschillende ontwikkelingsfasen die kinderen achtereenvolgens doormaken. En met die bagage moet een jonge vrouw van negentien of twintig jaar op professionele wijze andermans kinderen kunnen opvoeden. Althans, dat wordt verwacht.
Het is duidelijk dat de opleiding tot leidster kwalitatieve opwaardering behoeft. Daarbij is het niet de aandacht voor zorg, veiligheid en gezondheid die mij als pedagoog het meest bezighoudt. Dat is (het gebrek aan) een goed doordachte visie op de pedagogische kwaliteit van kinderopvang en het belang van dit opvoedingsmilieu. - dat een steeds belangrijkere plaats inneemt tussen gezin en school - voor de ontwikkeling van kinderen. De vraag hoe je kinderen in toom kunt houden, ze stil krijgt als ze aan tafel zitten of ze hun speelgoed kunt laten opruimen is een heel andere dan kinderen betrekken en begeleiden bij hun spel en hun cognitieve en sociaal-emotionele mogelijkheden optimaal stimuleren. Juist voor professionals in de opvoeding buitenshuis behoort die pedagogische aanpak de kern van hun activiteiten te vormen.
Scandinavische landen
Zo'n visie ligt wel ten grondslag aan het kinderopvangsysteem in Scandinavische landen als Denemarken en Zweden. In Zweden heeft de overheid een 'curriculum' voor de opvoeding van 0 tot 12-jarigen geformuleerd: een algemeen pedagogisch programma met brede ontwikkelingsdoelen, waarin cognitieve en sociaal-emotionele 'doelen' hand in hand gaan en als gelijkwaardig worden beschouwd. Kinderopvang is daar een recht en er is op een vanzelfsprekende manier sprake van overleg tussen de verschillende opvoeders van hetzelfde kind - werkers in de kinderopvang, leerkrachten, ouders - vanuit het besef 'wij voeden dit kind met z'n allen op'. Daar zijn de leidsters - waaronder ook mannen - opgeleid op tenminste hbo-niveau. En dat is heel goed te verdedigen want de focus van kinderopvang dient gericht te zijn op de ontwikkeling van kinderen.
Daarbij zijn het vooral de 'pedagogische kwaliteiten' van de leidster die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van het kind. Die zijn nodig om de vier pedagogische basisdoelen van kinderopvang te realiseren: het bieden van emotionele veiligheid, het stimuleren van de persoonlijke en sociale competentie en de overdracht van normen en waarden (Riksen-Walraven, 2004). Maar in Nederland heeft kinderopvang nog altijd een 'vlees-noch-vis' status. We weten niet zo goed wat we met kinderopvang aan moeten. Veel mensen vinden nog steeds dat kinderen thuis in het gezin bij moeder het beste af zijn. Het politieke beleid is daar mede debet aan. Vrouwen worden wel naar de arbeidsmarkt gelokt, maar over het pedagogisch gehalte van kinderopvang brengt de overheid geen duidelijk standpunt naar buiten Die halfslachtige invulling is mede oorzaak van de achtergebleven kwaliteitsbeoordeling in de kinderopvang en de onduidelijke status van kinderopvang als opvoedingsmilieu, tussen gezin en school.
De kinderopvang moet daarnaast concurreren met een onrealistisch beeld van het gezin als het ideale opvoedingsmilieu. Dat wil zeggen: het beeld van een intact gezin, met twee warme en ondersteunende volwassenen die steeds feilloos en bijzonder adequaat reageren op het gedrag en de behoeften van hun kinderen. Daarbij wordt volstrekt voorbijgegaan aan het feit dat tussen gezinnen grote verschillen in de kwaliteit van de opvoeding bestaan. Kinderopvang van goede kwaliteit met goed opgeleide leidsters biedt kinderen een volwaardig opvoedingsmilieu. Een opvoedingsmilieu dat door de diversiteit van de ervaringen en de stimulering van spel en ontwikkeling de persoonlijke en sociale competentie sterk bevordert. Een opvoedingsmilieu dat de gemiddelde gezinsopvoeding in kwalitatief opzicht zeker kan evenaren, zoniet overtreffen.
Door een motie van de Tweede Kamerfracties van de VVD en PvdA doet zich in Nederland sinds enkele maanden een nieuw - buiten de bestaande brede schoolprojecten - fenomeen voor: organisatie van kinderopvang door de school. De buitenschoolse opvang kon zich tot nu toe echter in zeer weinig aandacht verheugen.
Politieke ommezwaai
Om die reden is de onverwachte politieke ommezwaai toe te juichen. Dat moet niet betekenen dat in oude schoolgebouwen de tafels aan de kant worden geschoven, posters aan de muur worden gehangen en 'klaar is kees'. Er zijn multifunctionele gebouwen nodig voor creatieve vorming, sportfaciliteiten en andere voorzieningen voor vrijetijdsbesteding. Belangrijk voor het organiseren van kwalitatief goede opvang op school is de gelijkwaardige samenwerking tussen onderwijs en opvang, tussen leraren en kinderopvangleidsters. Vertegenwoordigers van beide werkvelden kunnen op die manier ten volle van elkaars expertise profiteren. Het moet niet een scenario worden van de leerkrachten, bij wie leidsters uit de buitenschoolse opvang mogen aanschuiven om te horen hoe het moet.
Voor een pedagogisch verantwoorde invulling van de integratie van opvang en onderwijs kunnen we te rade gaan bij de experts in Denemarken en Zweden én bij geslaagde voorbeelden in eigen land. (Denk bijvoorbeeld aan de vensterscholen in Groningen). Gelukkig komen er per 1 januari 2007 een aantal pilotprojecten waarvan we hopelijk veel zullen kunnen leren. Vervolgens moeten we het ingewikkelde maatschappelijke veranderingsproces waarin de samenwerking tussen twee tot nu toe grotendeels gescheiden opererende werkvelden gestalte moet krijgen de gelegenheid geven zich te voltrekken. Dat zal vele jaren vergen en tenminste vele honderden miljoenen euro's kosten.
Maar wat waarschijnlijk veel lastiger zal worden is het realiseren van de zo noodzakelijke cultuuromslag. Gegrondvest in een sterke moederschapsideologie is in Nederland lange tijd voetstoots aangenomen dat veiligheid en geborgenheid slechts in de gezinscontext konden worden gerealiseerd. Vanuit een dergelijke opvatting is te verwachten dat in het geval van opvoeding buiten het gezin wordt gestreefd naar een benadering van het gezinsideaal. Maar we moeten echt af van het idee dat goede opvoeding alleen in het gezin plaatsvindt! En met name de vrouwen zullen daarin als eersten het voortouw moeten nemen. Zij moeten verder emanciperen, zij zullen de zorg voor kinderen ook uit handen moeten willen geven en meer zorgtaken aan mannen overdragen. Ze zullen moeten eisen dat de school verantwoorde, professionele kinderopvang biedt. Want als zij zich daar niet voor inzetten, zal niemand anders dat doen.
Literatuur
Pool, M. & Lucassen, N. (2005). De Glazen Tussenwand: waar ouders tegenaan lopen bij de verdeling van arbeid, zorg en huishouden. Den Haag: Nederlandse Gezins Raad (NGR).
Portegijs, W., Cloïn, M., Ooms, I & Eggink, E. (2006). Hoe het werkt met kinderen. Moeders over kinderopvang en werk. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Riksen-Walraven, J.M.A. (2004). Pedagogische kwaliteit in de kinderopvang: doelstellingen en kwaliteitscriteria. In Rien van IJzendoorn, Louis Tavecchio en Marianne Riksen-Walraven, De kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang (pp. 100-123). Amsterdam: Boom.
Tavecchio, L.W.C. (2004). De plaats van de kinderopvang in de Nederlandse samenleving: geschiedenis, beleid, sociale context. In Rien van IJzendoorn, Louis Tavecchio en Marianne Riksen-Walraven, De kwaliteit van de Nederlandse kinderopvang (pp. 11-30). Amsterdam: Boom.
Vermeer, H.J., IJzendoorn, M.H. van, Kruif, R.E.L. de, Fukkink, R.G., Tavecchio, L.W.C., Riksen-Walraven, J.M.A., & Zeijl, J. van (2005). Kwaliteit van Nederlandse Kinderdagverblijven. Trends in kwaliteit in de jaren 1995-2005 (Herziene versie, december 2005). Amsterdam: Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO).
Louis Tavecchio is als bijzonder hoogleraar pedagogische aspecten en kwaliteit van kinderopvang verbonden aan het SCO-Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast is hij hoofddocent gezinspedagogiek bij de Afdeling Algemene en Gezinspedagogiek van de Universiteit Leiden.
Kijk voor meer informatie op: www.kinderopvangonderzoek.nl









