Zonder vertrouwen zijn intermenselijke relaties hoe dan ook onmogelijk, maar in de politiek moet je als je wilt overleven echt meer op je hoede zijn dan in het gewone leven. Dat de relaties er in belangrijke mate worden bepaald door machtsverhoudingen schept overigens een helderheid die in het gewone leven nauwelijks meer bestaat. Verkiezingsuitslagen zijn beslissend over de vraag of je al dan niet verder kunt met de partners waar je het in een vorige periode zo goed mee kon vinden. Het hoort bij de professionaliteit van de politicus om er voor zorg te dragen dat de persoonlijke relaties daar niet onder lijden.
Dat het vertrouwen in de jeugdzorg is aangetast is veel ernstiger dan die zogenaamde aantasting van het vertrouwen tussen politici. Het is helaas maar al te waarschijnlijk dat diezelfde politiek in belangrijke mate de verantwoordelijk draagt voor de aantasting van het vertrouwen van cliënten in de jeugdzorg. De door de politiek ingevoerde al te krampachtige controlesystemen zouden er wel eens de directe oorzaak van kunnen zijn. Als het inderdaad zo is dat ouders op het consultatiebureau zwijgen over opvoedingsproblemen uit angst een vlaggetje achter hun naam te krijgen en gebrandmerkt te worden als probleemgezin, zijn we wel heel ver van huis geraakt. In de pedagogische hulpverlening is het vertrouwen tussen professional en cliënt namelijk cruciaal. Sinds jaar en dag wordt er in klinisch-pedagogische opleidingen een belangrijk accent gelegd op het leren voeren van het oudergesprek. De relaties zijn namelijk bijzonder breekbaar, omdat ouders die een probleem met hun kind komen aankaarten meestal uitgenodigd moeten worden om ook naar hun eigen doen en laten te kijken. Het advies van Justine Pardoen van OudersOnline om met vragen over de opvoeding maar contact te leggen met onafhankelijke deskundigen in plaats van deze te melden op het consultatiebureau bevordert het vertrouwen natuurlijk niet. Bij SWP kwam eind vorig jaar het boek De jungle van de jeugdzorg uit. Een overlevingspakket voor ouders van Truus Barendse uit. De covertekst vermeldt onder andere: ‘Deze gids zorgt ervoor dat ouders voorbereid naar de gesprekken kunnen gaan, weten wat zij beter wel en niet kunnen zeggen, op de hoogte zijn van de (bezwaar)procedures en hun rechten.’ Dat de jeugdzorg nog lang niet is verlost van de gevolgen van het Savanna-trauma zal duidelijk zijn.
De rol van de politiek tegen het licht houden is één ding, als het om het herstel van het vertrouwen in de jeugdzorg gaat, mogen we het doen en laten van de media niet overslaan. Kranten en de zendgemachtigden op radio en televisie rekenen het terecht tot hun taak om gevallen waarbij kinderen in de knel komen aan de kaak te stellen. Zeker als het erom gaat de feilen in het functioneren van de zorgsystemen bloot te leggen, hebben ze een belangrijke functie. Maar kranten en omroepverenigingen leiden aan het zelfde euvel waar politici aan leiden. Ze moeten zich in de kijker spelen, want als ze daar niet in slagen zetten ze hun eigen voortbestaan op het spel. De manier waarop veel kranten hebben bericht over de zaak Laura Dekker heeft het wantrouwen in de jeugdzorg in het algemeen onnodig aangewakkerd. Een beslissing als die van het Algemeen Dagblad om in een vette kop een van de betrokkenen aan te halen met de uitspraak: ‘Jeugdzorg heeft zijn zin, Laura is kapot’ is daarvan een van de vele mogelijke voorbeelden.
De unieke zaak van het zeilmeisje is een zaak die zich bij uitstek leent om te laten zien hoe zorgvuldig jeugdzorg met de belangen van kinderen en ouders omgaat. Die zaak leent zich evenzeer om te laten zien hoe de rechten van kinderen en ouders in ons rechtssysteem gewaarborgd zijn. We hebben aan Adri van Montfoort gevraagd om het hele proces nog eens stap voor stap op een rij te zetten. Het is wellicht een manier om aan het noodzakelijke herstel van vertrouwen een bijdrage te leveren.









