Deze geheugenillusies of pseudoherinneringen ontstaan bijvoorbeeld door suggestieve ondervraging. Dit mechanisme is voor het eerst wetenschappelijk ontrafeld door onderzoekers van de Universiteit Maastricht. Ze publiceerden er deze maand online over in Acta Psychologica, the International Journal of Psychonomics.
Hoewel de meeste pseudoherinneringen vrij onschuldig zijn, kunnen ze in een rechtszaal gevaarlijk worden en leiden tot onterechte veroordelingen, bijvoorbeeld in gevallen van seksueel misbruik. Kinderen kunnen – doordat ze onderworpen worden aan suggestieve ondervraging – ervan overtuigd raken dat ze iets is aangedaan. Het onderzoek suggereert ook dat ze deze valse herinneringen hun hele leven met zich mee zullen dragen.
In het onderzoek kregen vijfenveertig kinderen van 8-10 jaar oud twee verhaaltjes voorgelegd. Het ene verhaal ging over een gebeurtenis die ze daadwerkelijk hadden meegemaakt (hun eerste dag op school, waarbij ouders door middel van een vragenlijst details over hun kind hadden gegeven). Het andere verhaal was een fictieve gebeurtenis (een luchtballonvaart) die aan de kinderen werd gepresenteerd alsof ze deze echt hadden ervaren. In verschillende interviews die volgden, werd aan de kinderen gevraagd beide gebeurtenissen te beschrijven of moesten ze vragen beantwoorden over specifieke details. Bijna alle kinderen herinnerden zich hun eerste schooldag. Van de 45 kinderen hadden er 26 valse herinneringen ontwikkeld aan de ballonvaart. Door middel van een aanvullende computertest (een ‘deception task’) werd vastgesteld dat de kinderen die valse herinneringen hadden ontwikkeld sneller waren in het bevestigen dan in het ontkennen dat ze in een luchtballon hadden gevaren. Alleen bij ‘echte’ herinneringen –waar geheugensporen bij betrokken zijn- zijn mensen sneller in het bevestigen dan ontkennen van meegemaakte gebeurtenissen. Daarmee laat deze bevinding voor het eerst zien dat valse herinneringen ofwel geheugenillusies bij kinderen gebaseerd zijn op geheugensporen en niet veroorzaakt worden door sociaal wenselijk gedrag.
Bron: Maastricht University









