Je had zelf het succes van Stil de tijd niet verwacht.
Mijn uitgever ook niet. Filosofie wordt nog vaak gezien als te ‘moeilijk’ voor een groot publiek, terwijl er juist een groeiende belangstelling voor is. Dat komt, denk ik, omdat er te midden van de vluchtigheid en jachtigheid van het moderne bestaan steeds meer behoefte is aan een beetje diepgang en reflectie. En de tijdgeest zit natuurlijk ook mee. Wie lijdt er niet aan tijdgebrek en onder de tijdsdruk? Ik heb onze ervaring van tijd vanuit filosofisch, maar ook in literair en historisch perspectief proberen te beschrijven.
Heb je een idee waarom het zo succesvol is geworden? Ik wel eigenlijk. Je schrijft ergens dat je geen doortimmerd, academisch betoog over de tijd wilt schrijven, maar een bonte verzameling inkijkjes, ervaringen en perspectieven. Daardoor is het niet alleen toegankelijk maar ook didactisch, je spreekt de lezer op verschillende niveaus aan.
Dat is voor mij heel belangrijk. Ik kom uit een echte onderwijsfamilie. Opa’s, oma’s, tantes, mijn vader, enzovoort. Zelf heb ik ook jaren voor de klas gestaan, op de universiteit en tot voor kort nog op het Pieter Nieuwland College en het Cygnus Gymnasium. Dat was op het laatst nog maar een middagje, ik kan het er helaas niet meer bij doen. Maar ik heb zo natuurlijk wel aardig wat onderwijservaring opgedaan. Als ik voor een publiek sta of iets opschrijf, wil ik dat iedereen die geïnteresseerd is het kan begrijpen. En dan het liefst ook nog met enig plezier. Dus er zit altijd wel een didactische ondertoon in alles wat ik maak. Misschien alleen in de romans niet. Alhoewel, zelfs daar denk ik nog aan de ander. Ik verlies me zelden in een monomaan betoog.
Als het om het thema ‘tijd’ gaat, lijk je te zeggen dat de fenomenologen, die toch bij uitstek veel aandacht aan het thema hebben besteed, het zicht op hun voorgangers een beetje verduisterd hebben.
Ik heb met behulp van het werk van Henri Bergson een andere interpretatie van het fenomeen tijd willen geven. Eén waarbij de menselijke ervaring centraal staat, want daar gaat het mij vooral om. De menselijke ervaring staat vaak haaks op het ‘meten’. Het meten van tijd is met andere woorden iets anders dan het ervaren van tijd. Bergson is een van de eerste filosofen van de twintigste eeuw die het onderscheid maakt tussen wat hij analytisch en metafysisch denken noemt. Dat laatste is bij mij meer een ervaringsdenken geworden. Het analytische denken moet een fenomeen van zijn context loshalen en isoleren om het te kunnen benoemen, meten, categoriseren, in kaart brengen, enzovoort. Hiermee gaat echter al veel van het oorspronkelijke fenomeen verloren. Bergson stelt weliswaar dat dit voor een aantal wetenschappen de enige methode is, maar dat deze voor de menswetenschappen veel minder geschikt is. Sterker nog, als je de menselijke ervaring wilt bestuderen en je haalt deze uit zijn context, dan sla je al bij voorbaat de plank mis. Wij zijn immers opgebouwd uit een oneindig aantal ervaringen en verschillende lagen van subjectiviteit: zelf, ik, lichaam, geest, zelfbewust, onbewust, ga zo maar door. En als je, als het om de tijd gaat, er dan maar één uithaalt: de kloktijd, de meetbare tijd, dan verlies je wat je zou kunnen noemen ‘het ervaren van tijd’.
Als kind had ik al de ervaring dat als we naar mijn grootouders gingen de terugreis veel korter duurde dan de heenreis. Ik wist het zeker. Maar mijn ouders hielden vol dat het volgens de klok even lang duurde. Toen realiseerde ik me het verschil tussen meten en ervaren voor het eerst. Ik was een jaar of zeven en ben toen allerlei experimenten met de tijd gaan doen, ik ben tijddagboeken gaan bijhouden. Later ben ik het fenomeen in de filosofie gaan bestuderen en heb geprobeerd denkers te vinden die precies vertrekken vanuit dat verschil tussen het ervaren van tijd en het meten van tijd. En ik meen dat een van onze problemen is dat wij daarvoor te weinig oog hebben in de westerse samenleving. We laten ons zo door de kloktijd bepalen, de klok regeert zo onze levens, dat we amper meer aan een subjectieve ervaring van tijd toekomen.
Wordt dat idee van ervaren tijd niet juist des te sterker als je het tegenover de kloktijd plaatst? Bergson spreekt zelfs van ‘echte’ tijd. Maar kloktijd is ook zo onze tijd, dat je het moeilijk onechte tijd kunt noemen.
Waarom noemde Bergson nu de tijd als duur, de verinnerlijkte tijd, de echte tijd? Bergson was wiskundige, filosoof, Nobelprijswinnaar, een briljante geest die ook veel van de bètawetenschappen wist. Zijn ongenoegen betrof nu juist hoe er binnen de bètawetenschappen met de tijd werd omgegaan als een neutrale parameter. De tijd als een gigantische metronoom die onverstoorbaar en onbeïnvloedbaar zijn minuten voor ons wegtikt in het universum. Maar Bergson betoogt dat die kloktijd vooral onze eigen uitvinding is. Het is de tijd die we samen hebben afgesproken, met die precieze opdeling in uren en minuten, om de tijd te kunnen meten en er vervolgens een wereld mee te kunnen inrichten. Zonder die kloktijd loopt die wereld inderdaad in het honderd. Zonder die kloktijd hadden wij niet hier in Frankrijk kunnen afspreken. Bergson benadrukt echter dat dit vooral een ruimtelijke benadering van tijd is, in plaats van een tijdelijke benadering van tijd. Hij spreekt van ruimtelijke tijd omdat we de tijd in partjes hebben verdeeld, als op een meetlint dat zich zo over heden verleden en toekomst uitstrekt. Maar dat is niet wat tijd is. Tijd wordt niet onderbroken, tijd duurt. Wij huppen niet van de ene minuut in de andere. Wat de klok wegtikt, is alleen maar onze indeling van tijd. Tijd zelf is ononderbroken. Tijd baart tijd, zegt Bergson. Tijd is niet alleen dynamisch, maar ook heterogeen. Geen uur ervaren wij als hetzelfde uur. Tijd kan vliegen, maar ook tergend langzaam voorbij kruipen. Maar dit alles kunnen we van de klok niet aflezen.
Sinds wanneer is de kloktijd zo opdringerig geworden?
De eerste klachten daarover lees je bij Dickens bijvoorbeeld, en bij Baudelaire, in de begintijd van de industrialisering. Toen zijn we ook arbeid in kloktijd gaan meten. En daarmee werd de kloktijd een economisch instrument. Tijd werd geld. Daarom siert Charlie Chaplin – met een still uit zijn film Modern times – de cover van het boek. Een profetische geest. Hij laat de tijd zien als de grote opdrijver, ten dienste van de kapitalistische industrie. Tijd is voornamelijk tot economisch principe geworden en dat vervreemdt mensen van hun eigen ervaring van tijd als duur. De economie kent een aantal principes, zoals schaarste en versnelling. Er wordt een gebrek gecreëerd of er wordt een versnelling toegepast: er moet immers altijd een tandje bij. Er moet altijd meer geproduceerd, meer geconsumeerd worden. Deze economisering van de tijd bepaalt helaas grotendeels onze huidige omgang met tijd: we hebben er altijd te weinig van en het lijkt allemaal steeds sneller te gaan. Om daar niet chronisch vermoeid van te worden, moeten we meer oog krijgen voor die andere, innerlijke ervaring van tijd. Rust is een belangrijke voorwaarde. Niets doen. Al die beeldschermen een paar uur uit. Je leven af en toe een beetje op zijn beloop laten, schrijft Bergson.
Lees het volledige interview in PiP 74. Klik hier om een abonnement af te sluiten.










