Pedagogiek
in praktijk

Sporttalenten presteren ook beter op school

Er is een samenhang tussen goede sportprestaties en goede schoolprestaties. Dit komt doordat dezelfde factoren het uiteindelijke niveau bepalen van zowel sport- als schoolprestaties. Het gaat hierbij vooral om het vermogen tot planning, monitoring, evaluatie en reflectie, aldus hoogleraar Chris Visscher in zijn oratie bij het aanvaarden van de leerstoel Jeugdsport aan de Rijksuniversiteit Groningen.


Uit onderzoek van Visscher blijkt dat de mate waarin kinderen zélf hun leerproces kunnen bepalen bij het aanleren van motorische vaardigheden en het leveren van sportieve prestaties, een belangrijke rol speelt op het uiteindelijke niveau van die vaardigheden of prestaties. De bepalende factor is de mate van zelfregulatie, aldus Visscher: 'Je ziet dat kinderen die het meest ver zijn in zelfregulatie uiteindelijk het hoogste niveau bereiken'. De bepalende factoren hierin zijn vooral het vermogen tot planning, monitoring, evaluatie en reflectie. 'Zij die het beste in staat zijn zélf hun doelstelling en de daarvoor benodigde inspanningen te bepalen, zélf in te zien of een handeling goed of fout is, zélf in staat zijn om een proces te evalueren en zélf in staat zijn om zichzelf daar kritisch in te volgen, worden uiteindelijk degenen die op het hoogste niveau sportprestaties kunnen leveren.'

Doordat deze factoren ook een rol spelen bij schoolprestaties, is er een verband tussen goede sport- en schoolprestaties. 'In de sport leer je zaken waardoor je ook op school beter mee kan. Dit geldt vooral bij complexe sporten die een groot strategisch inzicht vereisen', aldus Visscher. Van de sportieve talenten zat in het schooljaar 1992-1993 ruim 52 procent op havo/vwo, in het schooljaar 2006-2007 was dit zelfs ruim 70 procent. Bij hun leeftijdsgenoten ligt het landelijk gemiddelde op 44 procent.

Bron: Rijksuniversiteit Groningen



Naar homepage