Voor het onderzoek is delinquent gedrag, middelengebruik en slachtofferschap van jongeren via zelfrapportage in kaart gebracht. 2300 leerlingen uit de eerste drie klassen van het voortgezet onderwijs gaven antwoord op de vraag of zij bepaalde delicten gepleegd hebben, hoe vaak zij dat deden en onder welke omstandigheden. De onderzoeksresultaten tonen in de eerste plaats aan dat problemen in de buurt direct verband houden met delinquent gedrag van jongeren die daar wonen. Een buurt met veel criminaliteit en drugsgebruik geeft opgroeiende jongeren de boodschap af dat het om normale verschijnselen gaat. Een dergelijke omgeving vergemakkelijkt de inwijding in een criminele levensstijl.
Ouderlijke controle is een andere sterke voorspeller van delinquentie. Verder is school, of het gebrek daaraan, een belangrijke factor in het leven van jongeren. Het begint met mislukking op school en eindigt met spijbelen en voortijdige schooluitval. Jongeren die slecht functioneren in school en gezin, zullen aansluiting zoeken bij andere gemarginaliseerde jongeren, waar gebruik van alcohol en drugs wordt aangemoedigd en delinquent gedrag normaal wordt gevonden. Er is een duidelijke samenhang tussen delinquent gedrag van vrienden en de eigen delinquentie. Jongeren plegen zelden een delict in hun eentje: dat gebeurt vrijwel altijd in groepsverband.
Het verband tussen delinquentie en etniciteit blijkt zwak. Dat delinquent gedrag onder allochtone jongeren hoger is dan onder Nederlandse jongeren, komt doordat allochtone jongeren vaker in slechte buurten met slechtste woningen en een hoge werkloosheid wonen. Deze lage positie op de sociaaleconomische ladder werkt weer negatief uit op de schoolcarrière van jongeren, de vriendengroep en ook de vrijetijdsbesteding. Al die factoren kunnen voorspellers zijn van delinquent gedrag: hoe kleiner de kansen op een maatschappelijk en economisch succesvolle toekomst, hoe minder ze te verliezen hebben en hoe groter de kans op een criminele carrière.
Bron: Verwey-Jonker Instituut









