Pedagogiek
in praktijk

Scholen hebben oren en ogen nodig


Verontrustende berichten over geweldsincidenten, drugsgebruik en criminaliteit op scholen geven aanleiding tot zorgen over schoolveiligheid. Al vijf jaar lang wordt er op Rotterdamse scholen voor voortgezet onderwijs hard gewerkt aan het verbeteren van die veiligheid. Preventie en repressie gaan daarbij hand in hand: naast persoonlijke aandacht en leerlingenparticipatie wordt ook verscherpte toegangscontrole toegepast.

Marlieke de Groot, Fia Goedknegt, Christa de Vries

Het is midden jaren negentig. In Rotterdam trekken vijf directeuren van scholen voor voortgezet onderwijs bij de gemeente aan de bel. Hun verhaal gaat over toenemend geweld en agressie in het onderwijs. Volgens hen is de tijd meer dan rijp om breder dan op schoolniveau te kijken naar veiligheid. Ze dringen bij de gemeente aan op actie.
In het najaar van 2000 vertrekt een Rotterdamse onderwijsdelegatie naar de Verenigde Staten om met eigen ogen te aanschouwen hoe scholen daar met veiligheid omgaan. Bezocht worden scholen in New York, Washington en Baltimore. De groep komt vol ideeën terug, maar ook met de conclusie: zoals het daar gaat willen wij het hier niet. Een veilige school moet niet automatisch een vesting zijn met detectiepoortjes, camerasystemen en politie binnen de muren. Wel zien ze mogelijkheden in het brede RISICO-model: een model dat in de Verenigde Staten wordt gebruikt om veiligheid wijkgericht aan te pakken.
Natuurlijk gaat het om de vraag vanuit welke visie aan schoolveiligheid wordt gewerkt. Wij menen dat veiligheid altijd te maken heeft met risico's die mensen gewild of ongewild, bewust of onbewust nemen. Soms wil een kind even specifieke aandacht krijgen en slooft het zich op een gevaarlijke manier uit, soms is de groepsdruk zo groot dat er risico's op de loer liggen, soms zijn door omstandigheden (ziekte, sterfgeval, capaciteitsproblemen, geldgebrek) technische veiligheidsmaatregelen op school niet in acht genomen (deur op slot, raam dicht), enzovoort. Veiligheid valt niet altijd te garanderen, wél kunnen scholen zich bewust worden van veiligheid en daarop de nodige preventieve en repressieve maatregelen nemen.
Op scholen vinden wij de verschillende vormen van veiligheid belangrijk: (1) de ruimtelijke veiligheid in en om het schoolgebouw, (2) de institutionele veiligheid in de samenwerking met relevante instanties, (3) de sociale veiligheid in onderlinge contacten binnen de groep, klas en school, (4) de criminogene veiligheid, die bescherming biedt tegen criminaliteit en vandalisme, (5) de onderwijskundige veiligheid, die leerlingen de nodige beloning en ontwikkeling biedt. Dit zijn de vijf domeinen van het RISICO-model waarop de methodiek Veilig Op School is gestoeld.
Door het verzamelen van informatie op een school beogen we bewustwording en preventie te bewerkstelligen. Onveilige situaties en risico's maken we in onze rapportages concreet en bespreekbaar. Uit die probleemanalyses moet beleid worden ontwikkeld. Zo ontstaat een continue alertheid als basis voor een veilig schoolklimaat.

Preventie en repressie

In elk van de vijf bovengenoemde veiligheidsdomeinen van het RISICO-model spelen risicofactoren en beschermende factoren een rol. Risicofactoren werken onveiligheid in en om de school in de hand, terwijl beschermende factoren juist bijdragen aan schoolveiligheid. Bij het onderzoek naar deze beschermende factoren valt op dat drie kernwoorden steeds weer naar voren komen: persoonlijke aandacht, participatie, en regelhandhaving.
Persoonlijke aandacht raakt onmiddellijk aan kleinschaligheid: leerlingen willen herkend en erkend worden. Als ze iets goed doen, willen ze dat horen. Als ze problemen hebben, willen ze een luisterend oor. En als ze hun boekje te buiten gaan, willen ze daarop worden aangesproken - al zullen ze dat laatste niet snel hardop zeggen. Kortom, leerlingen willen 'gezien worden'. Vanuit deze wetenschap schreeuwen scholen dan ook soms om meer 'ogen'.
Ook regelhandhaving is belangrijk: regels moeten zowel voor leerlingen als personeel duidelijk zijn, evenals de consequenties van het overtreden van die regels. Cruciaal daarbij is dat er aandacht is voor handhaving ervan. Ook daarbij zijn 'ogen' noodzakelijk. Het is lastig om alle geldende regels actueel te houden binnen de school. Een van de scholen die aan het programma meedoen pakt dat handig aan: enerzijds zijn alle regels duidelijk bekendgemaakt, anderzijds staat elke maand een maatregel centraal, zoals 'op tijd komen', 'opruimen'.
Door participatie van leerlingen wordt ten slotte de betrokkenheid van leerlingen bij de school en bij elkaar vergroot. Als zij mee mogen en kunnen beslissen over bijvoorbeeld beleid, veiligheid en (school)activiteiten, dan zal dat een positieve invloed hebben op hun verantwoordelijkheidsgevoel. Kortom: persoonlijke aandacht, participatie en regelhandhaving zijn van groot belang voor een positieve sfeer en een goed klimaat binnen de school. Ze zijn de basis voor een veilige (leer)omgeving en vormen om die reden dan ook de rode draad binnen de methodiek Veilig Op School.
Bij de vormgeving van het gemeentelijke beleidsprogramma Veilig Op School denkt een begeleidingscommissie mee, waarin politie, justitie, GGD en gemeentelijke beleidsmakers vertegenwoordigd zijn. De uitvoering van het beleid volgt een cyclische aanpak die bestaat uit vier stappen. Stap 1 behelst de Scan Veilige School, waarin de schoolveiligheid wordt onderzocht en gemeten. Daarbij spreken we met het locatiemanagement en de veiligheidsverantwoordelijke over het veiligheidsbeleid binnen de school. Vervolgens beantwoordt een selectie van personeel en leerlingen een vragenlijst over veiligheid op elk van de genoemde domeinen. In stap 2 worden de veiligheidsprioriteiten door het schoolmanagement benoemd, hetgeen resulteert in een adviesrapport op maat. In stap 3 stelt de school op grond van het adviesrapport een schoolveiligheidsactieprogramma op, waarin alle maatregelen zijn uitgewerkt die de school nodig en mogelijk acht voor het verbeteren van de veiligheid. Tijdens stap 4 voert de school de maatregelen van het schoolveiligheids-actieprogramma op een integrale manier uit. In deze periode onderhouden wij geregeld contact met de school. De school zet het cyclische proces na ongeveer twee jaar voort met een nieuw onderzoek, de herscan. Werken aan veiligheid houdt immers nooit op.

Resultaten

Van de 75 Rotterdamse schoollocaties voor voortgezet onderwijs nemen er momenteel maar liefst 71 deel aan het programma Veilig Op School. Die locaties bevinden zich in verschillende stadia van het proces, al naar gelang het moment dat zij zich bij het programma hebben aangesloten. Natuurlijk zegt het aantal deelnemende scholen nog niets over de al dan niet toegenomen veiligheid. Wel is het goed te merken dat scholen in de afgelopen vijf jaar een fikse ontwikkeling hebben doorgemaakt in hun openheid om over veiligheid te spreken. Vijf jaar geleden verzochten wij scholen met klem om mee te doen, de laatste jaren bellen zij zelf met de vraag of ze al aan de beurt zijn.
In 2003 is het programma Veilig Op School tussentijds geëvalueerd door een onafhankelijk bureau. De belangrijkste aanbeveling luidde: 'Ga door met Veilig Op School!'. Nu is het 2006. Wat is er tot nu toe tot stand gebracht? In het algemeen kunnen we zeggen dat dit gemeentelijke initiatief veel goodwill oplevert in het onderwijsveld. Scholen ervaren de betrokkenheid van de gemeente als zeer positief. Het programma bevordert bovendien de communicatie tussen scholen onderling en die tussen scholen en instanties als (deel)gemeente, politie, justitie, GGD. Praktisch en efficiënt is dat alle betrokken instanties nu door eenzelfde veiligheidsbril kijken. Bovendien: veiligheid meten staat gelijk aan er meer over weten. Het voordeel voor scholen is dat zij nu een heldere richtlijn krijgen waarmee zij de schoolveiligheid kunnen verbeteren.
Zelf zijn wij ook met partners aan de slag gegaan. Samen met de scholen in Rotterdam-Zuid en in nauw overleg met politie en justitie hebben we incidentenprotocollen opgesteld, we hebben een digitaal incidentenregistratiesysteem ontwikkeld en een paragraaf Veilig geschreven voor in het schoolreglement. Alle Rotterdamse scholen voor voortgezet onderwijs kunnen hier nu gebruik van maken. Momenteel starten we wijkoverleggen op deelgemeentelijk niveau. Behalve scholen nemen hieraan ook vertegenwoordigers van politie, justitie, openbaar vervoer, deelgemeente, wijkorganisaties en jeugdzorg deel. Onze verwachtingen hiervan zijn hooggespannen. In enkele deelgemeenten is het wijkoverleg al enkele jaren zeer succesvol. Veiligheidsmaatregelen kunnen snel en effectief worden genomen. Die maatregelen variëren van het plaatsen van voldoende prullenbakken tot intensievere politiesurveillance en het onderling informeren over gevaarlijke situaties.

Van klassenmanagement tot toegangscontrole

Op de scholen die in 2004 en 2005 met Veilig Op School zijn gestart, wordt vooral aan een vijftal speerpunten gewerkt. In de eerste plaats hebben veel scholen nieuwe vormen van leerlingenparticipatie doorgevoerd: klankbordgroepen, toezichthouders tijdens de pauze, leerlingenmentoraat, peer mediation. Bij de herscan blijkt dat deze maatregelen vooral tot een verbeterd schoolklimaat leiden.
Ten tweede: om verbeteringen aan te brengen in het klassenmanagement hebben docenten op verschillende scholen trainingen gevolgd, waarin zij beter met agressie en conflicten leren omgaan. Bij de herscan op die scholen geven leerlingen aan dat ze merken dat hun leraren beter met ruzies van leerlingen omgaan.
In de derde plaats is er gewerkt aan de schoolregels: er worden duidelijke regels opgesteld over wapens, drugs en alcohol, diefstal en (seksuele) intimidatie. Vaak waren die regels er al, maar waren ze nauwelijks bekend bij de leerlingen. Acties van scholen om die regelbekendheid te vergroten, zijn merkbaar in de herscan. Overigens betekent dit niet automatisch dat leerlingen zich ook massaal aan die regels houden. In de vierde plaats wordt er meer werk gemaakt van de toegangscontrole: door meer te surveilleren bij binnenkomst van de leerlingen, voelen leerlingen zich veiliger dan wanneer zij denken dat iedereen de school kan binnenkomen. In het zogenoemde ruimtelijke domein geven leerlingen dat in de herscan aan. Tenslotte worden er draaiboeken opgesteld rondom calamiteiten en specifieke situaties zoals overlijden, geweld en pesten. Voor scholen blijkt het een groot voordeel als zij draaiboeken hebben ontwikkeld voor bijvoorbeeld overlijden.

Welke thema's blijven liggen?

Inmiddels hebben we op ruim dertig schoollocaties herscans uitgevoerd. Zoals aangegeven zijn de resultaten ten opzichte van de eerste scan positief. De voorbeelden zijn talrijk: een geïntensiveerd mentoraatsysteem, waardoor meer leerlingen aangeven dat ze bij hun mentor terechtkunnen. Of: een locatie die consequenter optreedt tegen spijbelgedrag, waardoor leerlingen aangeven dat ze nu minder spijbelen en dat ze, áls ze spijbelen, altijd daarop worden aangesproken door de school.
Maar misschien wel interessanter is het antwoord op de vraag welke thema's er nu blijven liggen? Uit de herscans valt op dat scholen het belang van incidentenregistratie wel inzien, maar dat het registreren van incidenten veel energie en tijd van docenten en leidinggevenden vergt. Natuurlijk vindt de eerste selectie van incidentenregistratie al plaats als docenten zich afvragen of een toevoeging als 'Meneer, ik krijg u wel…' een bedreiging betekent die geregistreerd moet worden of dat die in de categorie 'puberale uitspatting' thuishoort. Schoolpersoneel leert veel als ze daarover met elkaar in alle openheid kunnen spreken. Als docenten een incident registreren, is vervolgens het management aan zet: wel of geen actie ondernemen ten opzichte van leerling en docent? Een eventuele vervolgstap is om op grond van de registraties een beleidslijn te ontwikkelen. Het is van belang dat de resultaten uit de incidentenregistratie teruggekoppeld worden naar personeel. Een belangrijk punt om verder aan te pakken binnen scholen.

Steun en grenzen

Over de leidende gedachte die aan het Rotterdamse schoolveiligheidsbeleid ten grondslag ligt vertelt Marijke de Vries, coördinator jeugdbeleid van de gemeente Rotterdam: 'De maatregelen worden uitgevoerd vanuit de gedachte 'steun en grenzen'. Kinderen moeten leren grenzen te verkennen. Onze missie is zowel steun geven aan jongeren als grenzen stellen. Dat laatste is in de zestiger en zeventiger jaren een taboe geweest. Dat was een denkfout, want er moet juist duidelijkheid bestaan over grenzen, rekening houdend met het opvoedingsproces en wat kinderen aankunnen. Bestond voor de jaren zestig een autoritaire aanpak binnen de opvoeding, vanuit de gedachte dat kinderen zich maar moesten aanpassen, later lag de nadruk vooral op het ontdekken van eigen talenten. We nemen nu een tussenpositie in en vragen ons af: “Wat kunnen kinderen aan in de ontdekking van hun eigen talenten?” We moeten de grenzen die we stellen durven beargumenteren. Duidelijk maken dat de vrijheid van de een, de onvrijheid van de ander kan betekenen. We moeten weer leren ons verantwoordelijk te voelen voor de omgang met kinderen.'

Marlieke de Groot is als projectleider van het programma Veilig Op School Rotterdam werkzaam bij de Dienst Jeugd, Onderwijs en Samenleving van de gemeente Rotterdam (tel. 010 - 891 47 84). Fia Goedknegt en Christa de Vries leveren hun bijdrage aan dit programma vanuit hun eigen onderzoeks- en adviesbureau.



Naar homepage