Op basis van onderzoek schrijft Schaubroeck dat veel ouders kampen met grote schuldgevoelens richting hun kind, omdat ze niet voldoen aan het beeld van ‘de perfecte ouder’. Een groot deel van de ouders uit haar onderzoek kampen dermate met schuldgevoelens dat dit hun zelfvertrouwen onderuit haalt en het opvoedingsproces aantast. Terecht vraagt zij zich af hoe deze neerwaartse spiraal van het schuldgevoel, het tevergeefs steeds weer goed willen maken, leidend tot nog meer schuldgevoel, kan worden doorbroken.
Opvoedingsondersteuning kan ouders hierbij ondersteunen door goed te luisteren en te bieden wat ze echt nodig hebben, maar deze steun schiet hierin volgens de auteur tekort. De onzekerheid van ouders zou deels voortkomen uit de kritische houding van de overheid en instanties die vraagtekens zetten bij de competenties van ouders. Opvoedingsondersteuning zou ouders niet ondersteunen bij het versterken van hun zelfvertrouwen, maar zich baseren op de gedachte dat ouders het niet afkunnen zonder de tips en adviezen van deskundigen.
De meeste programma’s baseren zich op ondersteunend en competentiegericht werken; in de praktijk is het nog altijd een uitdaging niet in de adviesrol te vervallen. Soms spelen hierbij praktische factoren een rol als tijdsdruk en een gesprek in een korte tijd moeten afronden. Soms vinden professionals het spannend om het verloop van het gesprek aan de ouder over te laten. Soms is het zoeken naar de balans tussen ondersteunen en informeren. Een methodiek als Triple P besteedt hier expliciet aandacht aan door beroepskrachten te trainen in hun rol als procesbegeleider, en niet die van de deskundige die ouders van adviezen voorziet. Het programma ondersteunt ouders richting het zelfstandig oplossen van hun vragen. Hierbij wordt uitgegaan van de competenties van ouders en het verder versterken hiervan. Tijdens de trainingen Triple P zeggen ook beroepskrachten die al jaren competentiegericht werken, vaak nog veel baat te hebben bij de oefeningen rond ondersteunende gespreksvoering.
Veel methodieken, die opvoedsteun bieden zijn in de Westerse cultuur ontwikkeld en zijn gebaseerd op een geïndividualiseerde samenleving waarin opvoedingsdoelen als zelfstandigheid en zelfredzaamheid centraal staan. Op het moment dat ouders daar niet aan deze doelen kunnen beantwoorden, zo stelt de Schaubroeck , vallen zij buiten de boot met de eerder genoemde schuldgevoelens als gevolg. In principe willen alle ouders, onafhankelijk van ras, cultuur of klasse, dat hun kinderen slagen in het leven. Ideeën rond wat er voor nodig is om te slagen in het leven worden deels bepaald door tijdsgeest en de dominante cultuur waarbinnen het kind wordt opgevoed. De overstijgende opvoedingsdoelen waar de auteur naar verwijst binnen het Triple P programma, vormen het algemene kader gelijk aan het kader van de samenleving waarbinnen ouders opvoeden. Tijdens het werken met ouders kiezen zij eigen opvoedingsdoelen en een plan van aanpak dat hierbij past. De werker moet ervoor te zorgen dat ouders realistische opvoedingsdoelen stellen, van toepassing op hun persoonlijke situatie, en dat het beeld van het ‘maakbare kind’ wordt bijgesteld.
De rol van de opvoedingsondersteuning is het vinden van positieve, praktische oplossingen voor de opvoedvragen die er liggen, waardoor het competentiegevoel toeneemt en het schuldgevoel afneemt. Voor het vinden van een oplossing richten methodieken die uitgaan van sociaal leren, zoals Triple P, zich op het gedrag aan de buitenkant. Simpel gezegd: wat doet het kind, hoe reageert de ouder hierop en wat is hiervan het effect? Het plan van aanpak richt zich allereerst op het veranderen van de reactie van de ouders. Niet omdat zij schuldig zouden zijn, maar omdat je alleen je eigen gedrag direct kunt beïnvloeden. Uiteindelijk wordt daarmee een positief effect op het gedrag van het kind beoogd. Tijdens dit proces wordt ook gekeken naar mogelijke oorzaken van dit interactiepatroon. Emoties van ouders rond hun rol als opvoeder kunnen hierin worden meegenomen, maar de uiteindelijke focus ligt op de uitkomsten aan de buitenkant. Wanneer ouders positieve effecten boeken binnen concrete opvoedingssituaties heeft dit ook een positieve weerslag op hun emotioneel welbevinden. Ouders worden hierbij zolang ondersteund als nodig is en korter wanneer dat kan, zonder dat hier een waardeoordeel aan wordt verbonden. Deze manier van oplossingsgericht in plaats van probleemgericht werken kan heel effectief zijn.
Er kunnen situaties zijn waarin ouders naast opvoedingsondersteuning nog aanvullende psychosociale ondersteuning nodig hebben, bijvoorbeeld bij een depressie. Wanneer een ouder depressief is kan dit een negatieve impact hebben op de opvoedsituatie en kan het moeilijk zijn voor de ouder om het plan van aanpak goed in te zetten. Dit vraagt van de opvoedingsondersteuner hier aandacht aan te besteden. Ouders komen in eerste instantie binnen met een opvoedvraag. Het behandelen van depressie is een aanvullend traject waarnaar ouders moeten worden doorverwezen. Daarom gaat Mathew Sanders in zijn boek expliciet in op dit verwijzen.
Het centraal stellen van de oudervraag, goed luisteren naar ouders en het bieden wat ouders echt nodig hebben zijn ook mijns inziens blijvende aandachtspunten in de opvoedingsondersteuning. Dat veel ouders het gevoel hebben dat zij moeten slagen voor een examen naar “Perfect Ouderschap” met schuldgevoelens en zelfs depressie tot gevolg is een onwenselijke situatie. In tegenstelling tot de auteur denk ik echter dat opvoedingsondersteunende programma’s als Triple P juist een positieve bijdrage leveren aan het doorbreken van deze negatieve spiraal door de eigen doelen van de ouders centraal te stellen en ouders actief te betrekken in het maken van een plan van aanpak dat bij hen past. Ik ben erg benieuwd naar de visie van de auteur op een aanpak die wel zou voldoen om beter tegemoet te komen aan de werkelijkheid en wensen van ouders.









