We moeten waken voor romantisch en naïef enthousiasme over de betekenis van relaties. Ik heb geleerd niet te denken in termen van relaties maar van relationaliteit, als een manier van waarnemen, interpreteren, afstemmen en bijvoorbeeld antwoorden.
Het zelfstandig naamwoord
(relatie) wordt dan ingeruild voor een werkwoord: een moreel gekwalificeerde manier van doen. Die is trouwens beter vol te houden dan onophoudelijk relaties te moeten aangaan. Deze kleine maar gewichtige verschuiving maakt tegelijk zichtbaar – zoals ook blijkt uit de aangrijpende casuïstiek in dit nummer – dat present zijn en erbij blijven ‘werken’ is, hard werken zelfs. Je hébt geen relatie, maar zwoegt om relationaliteit haar werk te laten doen zodat aan het licht kan komen wat in de betreffende omstandigheden verstandig en liefdevol lijkt om te doen. Natuurlijk, gegeven waar het in je vak uiteindelijk om draait. Deze formulering laat twee bakens zien: het goed waarop de pedagogiek uiteindelijk gericht is en wat goed is voor dit ene kind op dit moment in deze omstandigheid. Daar komt een derde bij dat in dit nummer weinig aandacht kreeg: wat goed is voor ons allen, het gemeengoed (common good). Pedagogen streven niet alleen naar bloeiende kinderen die zichzelf kunnen zijn, maar ook naar een rechtvaardige en zorgzame maatschappij die het goede samenleven van allen behoedt en duurzaam bevordert.
Lees hier het artikel of de complete PIP via Pedagogiek Digitaal of word abonnee.











