Pedagogiek
in praktijk

Opgroeien in het hedendaagse gezin. Inleiding in de gezinspedagogiek

Auteurs: Frank van der Horst, Nicole Lucassen, Rianne Kok, Miranda Sentse, Lieneke Jooren & Maartje Luijk
Door: Peter van der Doef

Dit boek gaat over opvoeding in het hedendaagse gezin, wat iets anders is dan moderne opvoeding in het moderne gezin, waarover al zoveel handboeken geschreven zijn. Net zoals moderne kunst een tegenhanger heeft in hedendaagse kunst, is dit ook voor de pedagogiek het geval, zoals dit boek duidelijk maakt. Moderne pedagogiek zette zich af tegen traditionele opvoedingspatronen. Hedendaagse pedagogiek maakt duidelijk dat de complexe opvoedingswerkelijkheid niet langer tegemoet kan worden getreden met één dominante (moderne) visie, maar dat meerdere visies nodig zijn, die bovenal met elkaar in dialoog zijn om gezamenlijk een toekomstperspectief te ontwikkelen. Uiteraard is het de kunst om een complexe werkelijkheid met zo eenvoudig mogelijke modellen begrijpelijk te maken en daarin slaagt het boek Opgroeien in het hedendaagse gezin in hoge mate.

Het boek bestaat uit drie delen: Het gezin (I), Invloeden binnen het gezin (II) en Invloeden buiten het gezin (III). In deel I worden diverse theoretische vertrekpunten van het boek nader verklaard. Besproken worden modellen die gezamenlijk het omgevingsperspectief vormen: het ecologisch model van Bronfenbrenner, het sociaal-contextueel procesmodel van Belsky en het transactioneel model van Sameroff. Daarna wordt het gezin in historisch perspectief geplaatst en wordt de lezer een blik gegund op hedendaagse gezinsvormen in al hun diversiteit. Naast het traditionele kerngezin zijn dit gezinnen met adoptiekinderen, pleegkinderen, gezinnen met kinderen die zijn verwekt met behulp van in-vitrofertilisatie, gezinnen met heel jonge moeders (tienermoeders) of juist oude moeders (‘lastminute-moeders’), met homoseksuele ouders, gezinnen met één ouder, gescheiden gezinnen, gezinnen waarbij een ouder is overleden, stiefgezinnen en nieuw samengestelde gezinnen (p. 44-45).

Vooral in het historische hoofdstuk ‘Het gezin in historisch perspectief’ worden verschillen duidelijk tussen hedendaagse en moderne beeldvorming. De mythe van het moderne Europese kerngezin, dat pas na de industrialisatie in de negentiende eeuw zou zijn ontstaan, wordt effectief ontkracht. In het hedendaagse denken wordt geen breuk voorondersteld (een typisch modern denkbeeld), maar wordt continuïteit van sociale relaties benadrukt. Bronnenonderzoek laat zien dat het kerngezin al vanaf de middeleeuwen zichtbaar is, dat er toen ook al affectieve banden bestonden tussen gezinsleden en dat er sprake was van emotionele betrokkenheid bij kinderen. Het historisch plaatje wordt gedetailleerd ingevuld – een bijzondere prestatie gezien de beperkte ruimte die hiervoor in het boek beschikbaar is.

De hedendaagse diversiteit aan gezinsvormen naast het traditionele kerngezin wordt in deel II uitvoerig geboekstaafd, waarbij eerst aandacht wordt besteed aan opvoedingsvaardigheden en opvoedstijlen. Ouders moeten in staat zijn de opvoeding af te stemmen op de ontwikkelingsfase en de individuele behoeften en wensen van het kind. Een warme maar gestructureerde opvoedstijl biedt hiertoe de beste mogelijkheden. Veel opvattingen over de gezinssamenstelling blijken naar het oordeel van de auteurs ongefundeerd te zijn (p. 118). Opgroeien in een groot gezin is niet beter of slechter dan opgroeien in een klein gezin. De plaats in de kinderrij kan niet worden gerelateerd aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Hoewel de invloed van relaties met broers en zussen erg belangrijk is voor de ontwikkeling van kinderen, zijn enigkinderen op latere leeftijd niet te onderscheiden van kinderen die zijn opgegroeid met broers en zussen. Tweelingen ontwikkelen zich grosso modo hetzelfde als eenlingen.

Verschillen in de opvoeding tussen verschillende kinderen worden eerder positief dan negatief geduid. Wanneer kinderen deze verschillen als eerlijk ervaren, zijn er geen kwalijke gevolgen van een zogeheten differentiële opvoeding. Door als ouder op een sensitieve manier te reageren op de verschillende behoeften van kinderen, wordt integendeel in ieders behoefte voorzien. Ook culturele opvoedingsverschillen worden gerelativeerd. Verschillen worden immers niet alleen bepaald door cultuur, maar vooral ook door de sociaaleconomische status van gezinnen. Laagopgeleide ouders hebben vaak te maken met een opeenstapeling van problemen zoals armoede, slechte huisvesting, wonen in een achterstandswijk en een slechtere gezondheid. Deze risicofactoren komen vaker voor bij migrantengezinnen en daarmee lopen migrantenjongeren een verhoogd risico op problemen. De auteurs merken mijns inziens hier zeer terecht op dat het de opvoeding en ontwikkeling van migrantenjongeren sterk zou bevorderen als er genuanceerd zou worden gekeken en gehandeld naar opvoeding, gedrag en hieraan gerelateerde problematiek (p. 143).

In deel III worden invloeden van buiten het gezin aan de orde gesteld: kinderopvang, grootouders, media en leeftijdgenoten. De auteurs pleiten voor een breed toegankelijke kinderopvang van hoge kwaliteit, maar maken daarbij direct de kanttekening dat de effecten van kinderopvang op de ontwikkeling van kinderen relatief klein zijn in vergelijking met de kwaliteit van opvoeding in het gezin.

Grootouders spelen een steeds belangrijkere rol in het leven van hun kleinkinderen. Dit is momenteel het geval voor meer dan de helft van de grootouders in Nederland. Besproken worden recente maatschappelijke vragen en dilemma’s die dit oproept, bijvoorbeeld rechten op vergoeding of rechten op een bezoekregeling van grootouders als ouders besluiten uit elkaar te gaan.

Media hebben zich vanaf halverwege de twintigste eeuw in hoog tempo ontwikkeld. Ook voor de invloed van media staan de auteurs een differentieel model voor, waarbij het ene kind ontvankelijker (of kwetsbaarder) is voor de effecten van media dan het andere kind. Media kunnen de ontwikkeling van kinderen positief of negatief beïnvloeden. Naast ouders vormen scholen, overheid en wetenschap onmisbare partijen in de begeleiding van kinderen en jongeren. De gezinspedagoog kan volgens de auteurs in dit veld een spilfunctie vervullen.

Het laatste hoofdstuk in het boek wordt aan leeftijdgenoten gewijd. Relaties met ouders en met leeftijdgenoten kunnen niet los van elkaar worden gezien. Beide hebben een unieke invloed op de ontwikkeling van het kind.

Met al deze onderwerpen en standpunten biedt het boek een imposant wetenschappelijk onderbouwd overzicht van hedendaagse opvattingen over gezinspedagogiek. Het boek paart helderheid van betoog aan een aangename kritische stellingname en schuwt niet deze academische vaardigheden hoog in het vaandel te plaatsen van de hedendaagse pedagoog. Het is hiermee een uitstekend leerboek geworden dat erin slaagt om complexe problematiek in de kern begrijpelijk samen te vatten en inhoudelijk uit te diepen. Punten van discussie en mogelijke ontoereikendheid van huidige kennis worden duidelijk aangegeven. De lezer verkrijgt overzicht en inzicht doordat deze zelf aan het denken wordt gezet. Een prestatie van formaat.

 

Frank van der Horst, Nicole Lucassen, Rianne Kok, Miranda Sentse, Lieneke Jooren & Maartje Luijk (2016). Opgroeien in het hedendaagse gezin. Inleiding in de gezinspedagogiek. Tielt: Lannoo. ISBN 9789401426121; 280 pagina’s; € 34,99.



Naar homepage