Pedagogiek
in praktijk

Laura en de jeugdbescherming: een uitgebreide analyse


Illustratie Anna Boterman

Zonder twijfel is de ondertoezichtstelling van de 14-jarige Laura Dekker dé casus in de jeugdbescherming van 2009. Maar wat leert ons deze casus over de werking van onze instellingen?

 

De vraag: ‘Mag een 14-jarig meisje een solo zeiltocht rond de wereld maken?’ was onderwerp van discussie in alle media en op straat. De publieke discussie concentreerde zich vanaf het begin op deze ene vraag: ‘Vinden we dit goed, of niet?’ Maar wat leert ons deze casus over de werking van onze instellingen?

In een kwestie als deze is er geen ‘laatste waarheid’. Ook niet achteraf. Als Laura uiteindelijk niet mag vertrekken, is het denkbaar dat zij, haar vader en anderen die de reis steunden lange tijd verbitterd blijven over de autoriteiten die haar droom gedwarsboomd hebben. Als ze mag gaan, kunnen haar moeder en anderen die tegen de reis waren altijd van mening blijven dat het onverantwoord was, ook als de reis zonder noemenswaardige problemen verloopt. Gebeurt er onderweg iets ernstigs, dan zal de kritiek op de beslissing aanzwellen. Gaat alles goed, dan zal de vraag klinken: ‘Waar zijn we zo bang voor geweest?’ Tegen wijsheid achteraf is geen enkele afweging opgewassen. De werkelijkheid van de jeugdbescherming is, dat nu een beslissing genomen moet worden, op basis van de beperkte informatie die op dit moment beschikbaar is.

1. De eerste zitting
Toen de school hoorde van het plan om meer dan een jaar alleen op reis te gaan, meldde zij dit bij de leerplichtambtenaar van de gemeente. De leerplichtambtenaar schakelde het Bureau Jeugdzorg in en het Bureau Jeugdzorg vroeg de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek in te stellen naar de vraag of er een maatregel van kinderbescherming gevraagd moest worden om de zeereis te verhinderen. De raad deed onderzoek en vroeg primair schorsing van de ouders uit het ouderlijk gezag en instellen van een voorlopige voogdij en secundair een voorlopige ondertoezichtstelling. De rechtbank besloot van meet af aan deze kwestie te laten behandelen door de meervoudige kamer. Dat houdt in dat de zaak niet wordt behandeld door één jeugdrechter, maar door drie rechters, die tevens allen jeugdrechter zijn.
De zaak werd behandeld op 28 augustus 2009. Op dat moment was Laura nog 13 jaar. In september 2009 is zij 14 geworden.

1.1 De vraag
De eerste keer dat de kwestie aan de jeugdrechter werd voorgelegd, had de raad nog niet of nauwelijks met Laura kunnen spreken. Evenmin was duidelijk hoe de moeder over het plan dacht. De beide ouders hebben gezamenlijk het gezag. Laura woont bij haar vader en dat maakt dat hij beslissingen over de dagelijkse opvoeding neemt. De toestemming voor een solo zeiltocht rond de wereld is evident een beslissing waar beide ouders toestemming voor moeten geven.

 
 

De casus is derhalve een samenloop van jeugdbescherming en gezag na echtscheiding. Alleen al deze stand van zaken rechtvaardigt een voorlopige beslissing, met een opdracht tot nader onderzoek.

1.2 De feiten
Ten tijde van de eerste zitting waren de feiten over de bedreiging die de zeiltocht voor Laura met zich mee zou brengen, verre van volledig bekend. De bedreiging lag op de terreinen van veiligheid (hoe groot is het risico op een aanvaring of een ongeluk door extreme weersomstandigheden, ziekte, een overval op zee of een overval in een haven?), school (is er een afdoende regeling getroffen zodat zij de leerstof kan blijven volgen?) en psychosociale ontwikkeling (hoe beïnvloedt dit de ontwikkeling van haar persoonlijkheid, het contact met leeftijdsgenoten, haar deelname aan de samenleving?).
 
1.3 De norm en de beslissing
Zowel ten aanzien van de positie van de betrokkenen als ten aanzien van de feiten over de mogelijke ernstige bedreiging waren er ten tijde van de eerste zitting te weinig gegevens om een goede normatieve afweging op basis van de wettelijke bepalingen en de jurisprudentie te kunnen maken. Een voorlopige maatregel was noodzakelijk, om zeker te stellen dat de zaak niet door het vertrek van het meisje zou worden achterhaald en om een kader te scheppen voor het verdere onderzoek. De rechtbank besloot om zowel aan de Raad voor de Kinderbescherming te vragen aanvullend onderzoek te doen als ook om zelf een psycholoog als externe deskundige aan te stellen en aan deze psycholoog vragen te stellen, met name over de gevolgen voor de ontwikkeling van dit meisje als de reis zou doorgaan.
Voor schorsing van de ouders uit het gezag was volgens de rechters geen grond. De wet vereist daarvoor dat het gaat om ‘slechte’ ouders en dat kan in dit geval niet gezegd worden. Een voorlopige ondertoezichtstelling was bovendien ook afdoende om te zorgen dat het meisje niet onmiddellijk zou vertrekken en om verder onderzoek mogelijk te maken.

2. De tweede zitting
Op 30 oktober volgde de tweede uitspraak. De rechtbank had aanvullende informatie ontvangen van de raad en had een rapport van de aangestelde psychologe ontvangen.

LEES VERDER:
- neem een abonnement
- of download dit nummer


Naar homepage