Pedagogiek
in praktijk

Kind niet altijd gebaat bij gezamenlijk ouderlijk gezag

In Nederland behouden ouders na een scheiding in principe het gezamenlijk ouderlijk gezag over hun kinderen. Een situatie waarbij niet altijd het belang van het kind voorop staat, vindt Christina Jeppesen de Boer. Dit geldt vooral voor kinderen uit sociaal kwetsbare gezinnen. De huidige regeling gaat voorbij aan hun primaire behoefte: namelijk een veilige omgeving om in op te groeien. Tot deze conclusie komt de promovenda na bestudering van onder meer de Nederlandse en Deense wetgeving. Jeppesen de Boer promoveerde op 23 mei aan de Universiteit Utrecht met het proefschrift Gezamenlijk gezag.


Sinds 1998 wordt in Nederland het gezamenlijk ouderlijk gezag na een scheiding vrijwel altijd voorgezet, ongeacht de vraag of ouders het hierover eens zijn. Dit geldt voor zowel getrouwde als voor samenwonende stellen. Daarmee blijven beide ouders beslissingsgerechtigd over zaken zoals de verblijfplaats van het kind, schoolkeuze of beslissingen over eventuele medische behandelingen. Het toekennen van eenhoofdig gezag is evenwel aan strikte criteria gebonden. Inmiddels bestaat zelfs een wetsvoorstel dat dit 'voortgezet ouderschap' moet bevorderen.

Alle mooie bedoelingen ten spijt hebben deze ontwikkelingen ook een negatieve keerzijde, stelt Jeppesen de Boer. Zo zullen kinderen uit gezinssituaties, waarbij ouders niet in staat zijn gezamenlijk gezag uit te oefenen, hierdoor in de knel komen. Dit geldt des te meer voor kinderen uit gezinnen met ook andere, sociale kwetsbaarheidfactoren, zoals verslavingsproblematiek en geweld. Kinderen, kortom, die juist veel behoefte hebben aan bescherming. In het algemeen zijn voor kinderen het ouderschapsvermogen van de inwonende ouder en een gebrek aan ouderlijke conflicten immers belangrijker dan een gezamenlijke gezagsuitoefening, zo blijkt uit sociaalwetenschappelijk onderzoek.

Het is niet voor niets dat er veel kritiek bestaat op de huidige situatie en de strikte criteria voor het toekennen van eenhoofdig gezag. Zo gaan er inmiddels stemmen op voor een meer individuele beoordeling van de risico's voor het individuele kind. Kritiek die echter geen rekening houdt met de werking van het recht, dat zich vooral verlaat op concrete bewezen feiten. Een betere, echter vooral ook juridisch haalbare manier is volgens Jeppesen de Boer dan ook om het gezamenlijk gezag na (echt)scheiding te baseren op een consensus tussen de ouders. Daarmee voorkom je een hoop ellende, zoals jarenlange conflicten en procedures over de concrete gezagsuitoefening - over het hoofd van het kind heen. In die zin is Jeppesen de Boer dan ook voorstander van een terugkeer naar de regeling van vóór 1998, waarbij de ouders het gezamenlijke gezag bij scheiding expliciet moesten aanvragen.

Bron: Universiteit Utrecht



Naar homepage