Uit de enquêtes blijkt dat seksuele ervaring niet samenhangt met het kijken naar muziekzenders zoals MTV en TMF, maar wel met het kijken naar porno en erotiek. Het is echter niet aan te geven wat eerst komt: het pornogebruik of de seksuele ervaring. Verschillende jongeren geven aan porno of andere media, zoals videoclips, leerzaam te vinden, vooral als seksualiteit thuis een taboe is. In de groepsgesprekken geven jongens daarnaast aan dat ze pornografie gebruiken als inspiratie voor hun seksuele gedrag.
Een opvatting die in de enquête en in de groepsgesprekken veel naar voren komt, is dat ‘jongens altijd seks willen’. Veel jongens en ook veel meisjes denken dat. Uit de gesprekken komt naar voren dat meisjes geacht worden grenzen te hebben en de jongens in te tomen. Dat heeft als gevolg dat meisjes ook verantwoordelijk zijn voor eventuele grensoverschrijding, zoals aanranding en verkrachting, zo vinden veel jongeren. Zij hebben dan immers hun grenzen onvoldoende duidelijk aangegeven of het uitgelokt door sexy kleding te dragen. Meisjes komen hierdoor nauwelijks toe aan hun eigen wensen. Ondanks de emancipatie beoordelen jongeren seksueel gedrag van jongens anders dan dat van meisjes: een (hetero)seksueel actieve jongen is stoer, een meisje met het zelfde gedrag is een hoer.
De jongeren in de gespreksgroepen zien de ongelijkwaardige sekserollen uit hun dagelijkse leven terug in de media. De mate waarin jongeren zich hier iets van aantrekken is afhankelijk van hun eigen interpretatie. Volgens de enquêtes hangen seksueel gedrag en seksuele opvattingen sterk samen met de mate waarin jongeren de mediabeelden realistisch vinden (is het ‘echt’ wat je in de media ziet?) of relevant (kun je er wat van leren?). Uit de gesprekken blijkt dat jongeren de seksualisering in eerste instantie voor lief nemen, maar een kritische houding aannemen zodra ze erover met elkaar in discussie gaan.
Grenzen stellen aan mediagebruik en/of kritiek geven op mediabeelden lijken nauwelijks een gunstig effect te hebben voor de seksuele ontwikkeling of het zelfbeeld van jongeren. Mogelijk zijn andere vormen van mediaopvoeding, in de vorm van een dialoog over beelden die ouders en jongeren tegenkomen, wel effectief. Wel is het zo dat jongeren positiever over hun uiterlijk en over zichzelf denken wanneer ze meer steun ervaren van de ouders en wanneer de ouders beter op de hoogte zijn van het gaan en staan van hun kind. Dat geldt vooral voor autochtone jongens.
Uit de enquêtes en de gesprekken komt naar voren dat vooral autochtone meisjes zich zorgen maken om hun uiterlijk. Zij zijn minder tevreden over het eigen uiterlijk en hebben een lager gevoel van eigenwaarde. Vooral deze meisjes gaan ervan uit dat jongens uiterlijk belangrijk vinden. Zij proberen het (gephotoshopte) schoonheidsideaal uit de media te bereiken. Veel meisjes vinden het jammer dat ze bijna alleen maar slanke vrouwen zien in de media: ze willen meer variatie.
Bron: Rutgers Nisso Groep









