Pedagogiek
in praktijk

Is de hersenhype alweer voorbij? (Redactioneel PiP 69, november 2012)

Ruim twee jaar geleden heb ik omstandig gewaarschuwd voor de hersenhype. Het ging me daarbij vooral om de al te snelle conclusies voor opvoeding en onderwijs die men alom uit de overigens zeer interessante ontwikkelingen in de neurowetenschappen meende te kunnen trekken. De Leidse hoogleraar neurocognitieve ontwikkelingspsychologie Eveline Crone vertrouwde me toen overigens toe, dat ze die zorg met mij deelde. Ik mocht van haar aan de hele wereld vertellen dat zij zelf ook voor de hersenhype in het onderwijs waarschuwde. Ondertussen had haar bestseller Het puberende brein die hype wel mede veroorzaakt.
 
Door Bas Levering
 
Tegen de betekenis die aan de nieuwe kennis van het adolescentenbrein werd toegeschreven tekende ik een drietal hoofdbezwaren aan. In de eerste plaats was veel van de als nieuw gepresenteerde kennis helemaal niet nieuw. Dat pubers risicozoekers zijn, weten we al meer dan honderd jaar. Dat leeftijdgenoten een uitzonderlijk grote invloed op adolescenten hebben, had Stanley Hall ook al in zijn 1300 pagina’s tellende boek Adolescence (1904) opgetekend. In de praktijk hadden we er allang mee leren leven. In de tweede plaats wordt onterecht gesuggereerd, dat de kennis over het brein in ontwikkeling, door de nieuw beschikbare technieken voor het oprapen ligt. In de f-MRI scans valt echter slechts te zien welke hersendelen tijdens welke handelingen actief zijn. Die activiteit moet dan nog wel worden geïnterpreteerd. En bij die interpretatie kunnen, zoals we nog zullen zien, flinke fouten worden gemaakt. Mijn derde bezwaar betrof de overhaaste en vaak ronduit foutieve doorvertaling van kennis van de hersenontwikkeling naar de inrichting van opvoeding en onderwijs. Als jongeren nog niet kunnen plannen, is het inderdaad niet verstandig om van zelfsturing het basisisprincipe van het voortgezet onderwijs te maken (de terechte kritiek van Jelle Jolles op het studiehuis), maar het betekent evenmin dat we veertienjarigen helemaal niet op hun planning moeten aanspreken.
 
Naar aanleiding van het nieuwe onderzoek van Eveline Crone meldde de Volkskrant op 24 augustus onder de kop ‘Puber kan meer dan-ie denkt: Pubers die zeggen dat ze hun huiswerk niet kunnen plannen en hun kamer niet kunnen opruimen, omdat ze nu eenmaal een “puberbrein” hebben dat tot zulke dingen niet in staat is, kunnen dat excuus niet meer aanvoeren. Als ze het nut ervan inzien, kan hun brein dat prima aan.’ De publicaties van Crone c.s. hadden er dus inmiddels voor gezorgd dat adolescenten hun puberaal gedrag op die manier legitimeerden en dat hun ouders zich erbij neerlegden. Het ging ook om een van de best bekende en meest overtuigende neurofysiologische verklaringen van adolescentengedrag: de onrijpe prefontale cortex. Omdat hersengebieden in de PFC een rol spelen bij de cognitieve controle van bijvoorbeeld planning, organisatie en impulsbeheersing was daarmee een wetenschappelijk verklaring gevonden voor het feit dat jongeren die gedragingen gewoon nog niet machtig zijn. Naar nu blijkt, berust deze redenering op een verkeerde interpretatie. Op grond van een meta-analyse van een groot aantal onderzoekingen, die Crone met haar Amerikaanse collega Ron Dahl heeft uitgevoerd, wordt nu geconcludeerd dat bij de PFC van het puberbrein geen sprake is van onrijpheid, maar van cognitieve flexibiliteit. Als ze echt gemotiveerd zijn kunnen ze het best.
 
En daarmee zijn we terug bij het probleem dat ons in opvoeding en onderwijs al heel lang parten speelt en dat we nog altijd niet hebben opgelost. Het motivatieprobleem, dat zo oud is als het onderwijs zelf, is ons pas in de afgelopen decennia echt boven het hoofd gegroeid. Sinds we het onderwijs niet meer aan onze kinderen weten te verkopen als dé weg tot maatschappelijk succes en de verlokkingen van buiten de school een onevenredige aantrekkingskracht op hen uitoefenen, strijden we een verloren strijd. Het is vervelend om het te moeten vaststellen, maar van onze breinwetenschappers hoeven we in dit verband ook al geen steun te verwachten. Want als we al in staat zouden zijn om effectief externe druk uit te oefenen, is er geen kans dat die externe motivatie in interne motivatie wordt omgezet. Het bestaan van ‘een zelf’ dat dat mogelijk moet maken en waarop we in opvoeding en onderwijs voortdurend een appèl doen, wordt door neurobiologen als Dick Swaab bijvoorbeeld steevast ontkend.
 
Literatuur
Crone, E.A., & Dahl, R.E. (2012). Understanding adolescence as a period of social-affective engagement and goal flexibility. Nature Reviews Neuroscience, 13, 636-650.


Naar homepage