Ouders vrezen namelijk dat interetnische relaties tot afwijkende culturele en religieuze normen, waarden, en gedragingen kunnen leiden. Ouders die actief zijn in hun religie, en ouders die menen dat het gedrag van hun kinderen de gezinsreputatie aan kan tasten staan minder open voor interetnische relaties. Door de sterkere religiositeit en een hogere kwetsbaarheid van de gezinsreputatie voor het gedrag van hun kinderen, staan Turks-Nederlandse ouders minder open voor interetnische relaties dan autochtoon Nederlandse ouders.
Wat vriendschapskeuzes van adolescenten op Nederlandse middelbare scholen betreft, laat Munniksma’s onderzoek zien dat interetnische vriendschappen leiden tot een betere beeldvorming over andere etnische groepen. Onder etnische minderheden waren vriendschappen met autochtone medeleerlingen gerelateerd aan een sterkere identificatie met de Nederlandse samenleving, waardoor deze leerlingen positiever over Nederlanders gingen denken. Onder autochtone leerlingen blijken directe en indirecte vriendschappen met Turks-Nederlandse klasgenoten gerelateerd te zijn aan een verbetering in de beeldvorming over Turken. In haar onderzoek op Amerikaanse scholen vond Munniksma bovendien dat etnische diversiteit en interetnische vriendschappen vooral onder minderheidsleerlingen het schoolwelzijn verbetert. Interetnische vriendschappen hebben dus een positief effect op de middelbare schoolervaring van adolescenten.
(Bron: Rijksuniversiteit Groningen)









