Pedagogiek
in praktijk

Hoe geld de toekomst van het jonge kind bepaalt (Redactioneel PiP 63 oktober 2011)

De wenselijkheid van voor- en vroegschoolse educatie staat in ons land al heel lang ter discussie. Het debat tussen voor- en tegenstanders duurt voort. Wat zou het mooi zijn als een wetenschappelijk onderzoek nu eindelijk eens uitsluitsel zou kunnen geven. Maar dat zit er voorlopig niet in. Voor de effectiviteit van vve op langere termijn bestaat geen sluitend wetenschappelijk bewijs en daar is ook geen zicht op. De inrichting van het beslissende experiment stuit op allerlei praktische bezwaren. Ook het debat, dat Prof. Sieneke Goorhuis-Brouwer en lector Cathy van Tuijl in deze PiP aangaan, leidt niet tot eenstemmigheid. De discussie brengt veel nieuwe feiten aan het licht. De belangrijke argumenten staan op een rij. Maar de lezer zal zelf zijn positie moeten bepalen.

Door Bas Levering

Voor de Nederlandse overheid vormt de heilzame werking van voor- en vroegschoolse educatie ondanks deze onduidelijkheid al decennia lang uitgangspunt van beleid. Aanvankelijk ontwikkeld in het kader van de achterstandsbestrijding voor de zogeheten doelgroep - jonge kinderen met een allochtone achtergrond - nam staatssecretaris Dijksma in het vorige kabinet zich voor om in het kader van de wet OKE (Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie) het vve-beleid voor alle Nederlandse kinderen te bekostigen. Lang voor de economische crisis waar de huidige regering een antwoord op moet proberen te vinden, bleek al dat dit plan financieel onhaalbaar was en bleef de inzet van het vve-beleid tot de doelgroep beperkt.

Het jonge kind werd in de tussentijd nog met andere bezuinigingen geconfronteerd. De tegemoetkomingen aan ouders met kinderen in de kinderopvang waren onder het vorige kabinet volkomen uit de hand gelopen. De huidige regering gaat in haar economisch beleid nog altijd uit van het fulltime tweeverdienerschap, maar die beleidsdoelstelling raakt door die nieuwe bezuinigingen steeds verder uit het zicht. Het is nog onduidelijk hoeveel ouders de stijgende kosten voor de kinderopvang niet meer zullen kunnen of willen dragen. Maar dat er de komende jaren een einde komt aan een verdere stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen, zal duidelijk zijn.

Ik heb me wel eens afgevraagd wat er gebeurd zou zijn als de vakbonden eind jaren negentig in de cao-onderhandelingen voor de kinderopvang een basisvoorziening met hoge kwaliteit zouden hebben afgedwongen. De bomen groeiden in die periode economisch gezien tot in de hemel en dus was er toen een uitgelezen kans om de historische achterstand op de Scandinavische landen definitief in te lopen. Daar waren in de jaren zeventig de vrouwen al de arbeidsmarkt opgestuurd onder gelijktijdige creatie van een perfect systeem van kinderopvang met hoog opgeleid personeel. In Nederland bleef de kinderopvang speelbal van de vrije markt met naast prachtige initiatieven dagverblijven die kwalitatief in veel opzichten onder de maat waren.

Als het om de pedagogische kwaliteit gaat is de overheid zich terughoudend tegenover de kinderopvang blijven opstellen. Wellicht vanuit een misplaatst idee van 'Wie niet betaalt, mag ook niet bepalen' heeft zij de controle voornamelijk tot het niveau van de hygiëne en de minimale aantallen vierkante meters beperkt. Maar als het om de voor- en vroegschoolse educatie gaat kunnen ouders merkwaardigerwijs toch wel met de lange arm van de overheid geconfronteerd worden. Dan kan het gebeuren dat het kinderdagverblijf van jouw kinderen - aangespoord door gemeentelijke financiering - plotseling aankondigt dat de pedagogische aanpak na de zomervakantie een metamorfose zal ondergaan.

Inmiddels heeft het door de overheid bekostigde onderwijs zich op de markt van het jonge kind begeven. In aansluiting op het rapport van de onderwijsraad Naar een nieuwe kleuterperiode in het basisonderwijs uit 2010 heeft de nieuwe minister van onderwijs geld uitgetrokken voor proefprojecten met onderwijs aan driejarigen. En daarmee manifesteert het onderwijs zich als regelrechte concurrent van de kinderopvang. Minister van onderwijs Van Bijsterveldt heeft in haar periode als staatssecretaris in het vorige kabinet al voor een specialisatie 'Jonge kind' in de Pabo's gepleit. Over het belang van hoog gekwalificeerde pedagogisch medewerkers voor het jonge kind zijn ook Sieneke Goorhuis en Cathy van Tuijl het eens. Het is echter zeer de vraag of zij daar hetzelfde onder verstaan.



Naar homepage