Het onderzoek werd uitgevoerd onder 91 lagere schoolkinderen, onderverdeeld in twee groepen: 44 kinderen van 7-8 jaar en 47 kinderen van 11-12 jaar. Tijdens het onderzoek werd de kinderen verteld over een gebeurtenis die ze echt hadden meegemaakt, namelijk hun eerste schooldag en een gebeurtenis die ze helemaal niet mee hadden gemaakt. De ene helft van elke groep kreeg informatie over een niet meegemaakte gebeurtenis die heel plausibel was, namelijk het bijna gestikt zijn in een snoepje, de andere helft kreeg een onwaarschijnlijke gebeurtenis voorgespiegeld, namelijk ontvoerd zijn door een ufo. De helft van alle kinderen kreeg, terwijl ze naar het verhaal over de ufo of het snoepje luisterden, extra informatie over de frequentie van de gebeurtenis in de vorm van een fictief krantenartikel. Het krantenartikel impliceerde dat de gebeurtenis veel vaker voorkwam dan men voorheen zou aannemen. Daarna werd de kinderen in twee gesprekken gevraagd alles te vertellen over wat ze zich herinnerden van de gebeurtenissen.
Eindconclusie van het onderzoek is dat vooral jonge kinderen gevoelig zijn voor suggestieve informatie; ze ontwikkelen gemakkelijk valse herinneringen aan zeer onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Onderzoeker Henry Otgaar onderstreept het maatschappelijk belang van deze bevindingen: ‘In het verleden zijn in de Verenigde Staten leraren aangeklaagd voor jarenlang ritueel kindermisbruik op basis van bizarre, hoogst onwaarschijnlijke herinneringen van leerlingen, die achteraf door experts als valse herinneringen werden gezien, uitgelokt door suggestieve ondervragingen. Het is dus bijzonder relevant om onderzoek te doen naar valse herinneringen bij kinderen.’
Bron: Universiteit Maastricht










