Nog steeds gaat het om waarschijnlijk enkele duizenden meer of minder racistisch, rechtsextremistisch georiënteerde jongeren. De onderzoekers hebben bovendien het vermoeden dat de leeftijdsgrens is gedaald en dat de Lonsdale-subcultuur populairder is geworden onder plusminus twaalfjarigen.
De extreemrechtse Lonsdalegroepen variëren sterk van elkaar. Dat geldt zowel voor hun omvang als voor hun racistisch of extremistisch gehalte. Anders dan wel wordt beweerd, is het zogenaamde Lonsdalevraagstuk geen exclusief plattelandsverschijnsel, maar komt het ook in de steden voor. Het aantal confrontaties met allochtonen neemt gestaag toe en lijkt meer en meer een inburgerend kwaad te zijn geworden. Bij deze confrontaties is de grens tussen dader- en slachtofferschap vaak niet helder. In veel gevallen is er sprake van een serie incidenten en van acties die reacties uitlokken. Het Lonsdalevraagstuk is dus vooral óók een probleem van spanningen tussen autochtone en allochtone jongeren.
Volgens de onderzoekers bestaat het gevaar dat het hedendaagse denken over rechtsextremisme als probleem al te zeer bepaald wordt door de primaire gerichtheid op georganiseerde, partijpolitieke varianten van rechtsextremisme. De veranderde verschijningsvorm van diffuse, extreemrechtse jongerengroepen noopt tot een andere aanpak. Donselaar en Rodrigues vinden daarom dat er gezocht moet worden naar strategieën die niet zozeer zijn gericht op de kern, maar veeleer op de schil. Omdat daar in Nederland weinig ervaring mee is opgedaan, hebben de onderzoekers een aantal Duitse deradicaliseringsprogramma's bestudeerd. Wat daarvan voor Nederland te leren valt, is in het rapport te lezen.
Het rapport kan worden gedownload vanaf www.monitorracisme.nl.









