Herstelling, onderdeel van de Gemeentelijke Dienst Werk en Inkomen, heeft de uitkering in eigen beheer. Dat maakt het mogelijk het middel te gebruiken als stok achter de deur. Dit vindt in eerste instantie aan de kop van het traject plaats, ook om jonge mensen over de streep te trekken. Een deel van de ‘top 600’,de gewelddadige veelplegersvan wiedriekwart met een Marokkaanse achtergrond, is potentiële klant van Herstelling.
Het werkmeester-leerlingmodel
Al eeuwenlang is het meester-leerlingsysteem een succesvol model gebleken in het overbrengen van vaardigheden, vorming en deugden. Vaklieden zoals koks, chirurgen, edelsmeden en vioolbouwers worden nog steeds opgeleid door ervaren, deskundige specialisten op de werkvloer. Het zijn geschoolde professionals in hun vakgebied. De functie van werkmeester, als voorman en opleider in beroepen met een lagere opleiding, is echter verleden tijd.
De ‘mannen in stofjas’ op fabrieken en grote bedrijven mogen dan een verouderd en achterhaald beeld zijn, het type leerlingen bestaat nog steeds. De werkmeester als sociale professional zien we terug bij re-integratieprojecten, maar ook als toezichthouder en controleur bij de uitvoering van werkstraffen. In het algemeen, mede afhankelijk van zijn precieze functie, zie ik voor hem drie taken weggelegd: ten eerste het corrigeren en disciplineren van de leerlingen; ten tweede het overbrengen van kennis en vaardigheden, en ten derde een brug slaan tussen de volwassen, burgerlijke cultuur en de wereld van de straat. Natuurlijk staat een werkmeester er niet alleen voor. De werkmeester (in principe kunnen het ook vrouwen zijn) kan pas effectief zijn als hij wordt omringd door een team van consulenten, beveiligers, klantmanagers, diagnosticusen schuldhulpverlener.
Het re-integratiemodel met een werkmeester als begeleider is vernieuwend, maar er is weinig wetenschappelijke literatuur. Dat is opvallend, omdat in de praktijk hoog wordt opgegeven van zijn agogische kwaliteiten (Krechtig, 2007; Vrooland, 2011; Nabbenet al., 2010). Laten we de verschillende elementen van het werkmeester-leerlingmodel eens nader onder de loep nemen.
De werkplaats
Voor het aanleren van praktische vaardigheden en een goede werkhouding biedt de werkplaats een ideale leeromgeving. Het is een stabiele omgeving met veel structuur en duidelijkheid. Het werk vindt plaats in een informele, ongedwongen sfeer. De werkmeester heeft de leiding. Hij controleert, corrigeert en motiveert. De dagelijkse contacten zorgen voor het ontstaan van een vertrouwensrelatie tussen de deelnemers en de werkmeester. Vanwege de intensieve persoonlijke begeleiding kan de groep niet al te groot zijn, hooguit zes tot acht personen.
De werkplaats fungeert als een alternatieve werkplek, waarbij niet de productie maar het leerproces centraal staat. De werklocaties zijn gevestigd in prikkelarme omgevingen, in de natuur en buiten de stad. Het herstel van de negentiende-eeuwse forten van de Stichting Herstelling, rondom Amsterdam, zijn wat dat betreft ideaal. Alle deelnemers worden opgevangen op een centrale locatie. Vervolgens worden ze met transportbusjes naar de verschillende locaties gebracht. In deze omgeving moeten deelnemers hun oude gedragspatronen loslaten en nieuwe vaardigheden eigen maken. De locatie, de inrichting van de werkplaats, de geringe groepsgrootte, de fysieke aanwezigheid en het handelend gezag van de werkmeester liggen aan de basis van het succes. De theoretisch pedagoog M.J. Langeveld spreekt in zo’n geval van een ‘pedagogisch gepreformeerd veld’, een gebied waar opvoeding elk moment uit de omgang kan ‘ontspringen’.
De doelgroep
De doelgroep, in meerderheid jongens en jong volwassenen van allochtone afkomst, wordt gekenmerkt door negatief gewoontegedrag, onvoldoende kennis van de Nederlandse taal, faalangst, niet-realistische verwachtingen, geringe motivatie en een laag IQ. De meerderheid, zeventig tot tachtig procent, heeft bovendien justitiële antecedenten. Vele jongeren kampen met problemen in de persoonlijke sfeer. Een wat oudere werkmeester zegt hierover: ‘Ik zie nu hoeveel sores ze hebben, hoe ingewikkeld het is. Elke jongen heeft een rugzak vol shit.’
Deelnemers worden verplicht tot deelname, vanwege het risico van korting op de uitkering. In beleidstermen heet dat ‘actieve handhaving’ of zogenaamd‘afstemmen’. Het middel wordt prudent ingezet met als doel dat deelnemers aan het traject in de pas blijven lopen. Korting kan plaatsvinden bij herhaaldelijk niet op tijd komen, tweede keer niet komen opdagen of ongeoorloofd op vakantie gaan. Het middel wordt alleen toegepast na een waarschuwing en men heeft de mogelijkheid tot verweer. Sommige klanten blijken niet gevoelig voor korting op hun uitkering, waterop kan wijzen dat zij ook op andere,illegale wijze inkomsten verwerven.
Oók is de uitval op een eenmaal ingezet traject relatief hoog, er zijn veel ziektemeldingen en er is sprake van ongeoorloofd verzuim. Dit heeft geleid tot meer controle en het afleggen van huisbezoeken. Er is nog niet sprake van een sluitende aanpak.
Jongeren doen werkervaring op. Ze lerenniet alleen rekenen, hout bewerken en samenwerken, maar ook dat je op tijd op je werk moet komen en dat je je collega’s groet. Je nadrukkelijk presenteren als slachtoffer van de samenleving die discrimineert, heeft niet langer effect. Een door mij benaderde werkmeester merkt op: ‘Op straat zijn ze koning, hier worden ze geconfronteerd met hun onvermogen.’ Een andere werkmeester zegt over zijn pupillen:‘Vaatjes met overtuiging, daar zitten ze vol mee. De samenleving klopt niet, dit en dat. Maar zelf kloppen ze wel.’ Sjef van Gennip, de directeur van Reclassering Nederland, zegt in een interview met het blad Binnenlands Bestuur:‘Dat iemand crimineel was, lag aan alles en iedereen maar niet aan hemzelf. Misdaad was een product van een samenleving die niet deugde.’ Een dergelijke houding komt voort uit gemakzucht en de weigering om lastige feiten - zoals lage scholing en ongemotiveerdheid- onder ogen te zien.
Het werkproces
Probeer negatief straatgedrag, ongemotiveerdheid en actief en passief verzet maar eens om te buigen. Dat kan niet zonder respect en vertrouwen; wederzijds vertrouwen ligt aan de basis van gedragsverandering. Maar wil je negatief gedrag veranderen, dan zul je ook dieper moeten graven. Een goede werkmeester moet open staan voor wat een jongere beweegt, motiveert of afremt.
De methode van de Herstelling is gebaseerd op constructieve gedragsbeïnvloeding, waarvoor een periode staat van zes tot negen maanden. Het gedrag van jongeren moet worden omgevormd van streetwise, gekenmerkt door een agressieve, brutale houding en van binnen vol faalangst, naar een werknemer die rust en zelfvertrouwen uitstraalt. De vrijblijvendheid is ook voorbij, want jongeren moeten elke ochtend om acht uur in werkkleding klaar staan.
Confronteren en disciplineren staan in het proces van gedragsbeïnvloeding centraal. Werkmeesters stralen een houding uit van ‘niet lullen, maar poetsen’. Veel jongeren zijn van huis uit gewend te worden gestraft, maar niet om te worden gecorrigeerd. Het ter plekke corrigeren gebeurt op basis van wederzijds vertrouwen én, niet onbelangrijk, op de juiste toon. ‘Hup, vriend, aan je werk. Pauze is al lang voorbij’, straalt gezag en vertrouwen uit. Ook het taalgebruik wordt gecorrigeerd. Een reactie als ‘Hé klojo, rot op!’ wordt niet gepikt. In een normale werksituatie leidt dat tot conflicten, soms zelfs tot ontslag.
Het werkproces kent ook een inhoudelijke kant. Het overdragen van kennis en vaardigheden is de tweede taak van de werkmeester. Een teammanager van de Herstelling zegt hierover: ‘Werken moet worden omgezet in vaardigheden, die worden geleerd op de werkvloer. Dat begint met het verrichten van eenvoudige werkzaamheden zoals slopen, opruimen, snoeien en bestraten. Gedurende deze periode wordt al doende gewerkt aan de ontwikkeling van belangrijke competenties zoals een positieve werkhouding, op tijd komen (misschien wel het moeilijkste onderdeel), leren samenwerken, leiding accepteren, concentratie, motivatie en het ontwikkelen van zelfvertrouwen.’ De uitdaging - de kern van het werk van Herstelling - is om extrinsieke motivatie (iets doen omdat het door anderen wordt opgelegd) om te bouwen tot intrinsieke motivatie (iets doen omdat je het zelf wilt).
De persoon van de werkmeester
De meeste werkmeesters zijn geplukt uit het veld. Er bestaat nog geen gecertificeerde opleiding tot werkmeester. Opvallend is dat ze het wonderlijk goed doen, ook al heeft vrijwel niemand een pedagogische of agogische opleiding. Ze hebben wel ruime ervaring in de omgang met dit type werknemers. Werkmeesters zijn authentiek en weten de juiste toon aan te slaan. Ze stralen rust en een natuurlijke autoriteit uit. Maar een werkmeester moet ook heel kunnen hard zijn in zijn oordeel. Werkmeesters moeten situationeel leiding kunnen geven, afhankelijk van de persoon en de situatie. Bij de Herstelling in Amsterdam houdt dit in: stevig op de inhoud, ondersteunend op mogelijkheden, zacht en betrokken op de relatie. Veel persoonlijke informatie komt pas naar boven tijdens het werk, bij het ontroesten, schilderen of opmeten. Ervaring en intuïtiezijn nodig om te weten wanneer én hoe een werkmeester moet interveniëren. Dit vindt plaats in levende taal, met veel expressie. ‘Een werkmeester moet ook een beetje balgevoel hebben.’ Het gaat steeds om hun kwalitatieve aanwezigheid.
De derde taak van de werkmeester is om een brug te slaan tussen de wereld van de jongeren en die van de volwassenen. De socioloog Robert Putnam (2000) spreekt in dit verband over ‘bridging’, ofwel ‘inburgering op microniveau’. Er gaapt een kloof - sommigen spreken zelfs over een ravijn - tussen de werkvloer en de straat, maar ook tussen de gezinnen waar deelnemers uit afkomstig zijn en de Nederlandse maatschappij.
Er vindt ook een vorm van motiverende gespreksvoering plaats, waarbij een werkmeester laat blijken iemand als persoon te willen accepteren, echter niet zijn of haar negatieve gedrag. Dit gebeurt in een confronterende stijl, zonder dat hij de pupil van zich vervreemdt of agressieve gevoelens ontlokt. Vrooland (2011)noemt dit: jongeren uit hun ‘comfort zone’ halen. Het gaat erom dat jongeren inzien dat uitdagend gedrag niet leidt tot een positief resultaat. Daarbij kan een werkmeester putten uit persoonlijke ervaringen - zogenaamde ‘zelfontsluitende opmerkingen’. In deze rol fungeert de werkmeester als een surrogaatvader. Het coachen houdt ook in dat te hoge, niet-realistische verwachtingen worden rechtgezet en vertaald in meer realistische aspiraties.
Slot
In Nederland is sprake van honderden initiatieven en projecten om langdurig werkloze jongeren weer aan het werk te helpen. Deze bloemenwei heeft tal van prachtige en kleurrijke bloemen opgeleverd, vaak met een korte levensduur. De meeste projecten staan op zichzelf, er wordt weinig gecoördineerd en ze versterken elkaar niet. Er vindt ook weinig tot geen evaluatie plaats.In het geval van Herstelling kunnen we spreken van een beschreven methode, waarvan de effectiviteit in de praktijk bewezen is. De confrontatie met een andere omgeving, de vertrouwensrelatie met een vaste begeleider en het gezamenlijk verkeren in dezelfde omstandigheden zijn belangrijke elementen. De kern van het succes schuilt in de persoonlijke, warme én confronterende benadering van de werkmeester.