Pedagogiek
in praktijk

De mobiele telefoon is al controleur genoeg

Het is naïef om te denken dat technische hulpmiddelen slechts hulpmiddelen zijn. Ze worden door de producenten natuurlijk wel aangeprezen met het argument dat ze met hun gemak de mens louter zouden dienen, maar daarbij wordt verzwegen dat ze de relaties tussen mensen fundamenteel wijzigen. Het klinkt misschien wat zwaar, maar ze veranderen echt de manier waarop we in de wereld staan. Zo heeft bijvoorbeeld de introductie van schijnbaar onschuldige en alleen maar handige communicatiemiddelen onze wereld volkomen op zijn kop gezet.
Neem de mobiele telefoon. Die heeft wellicht voor de meest ingrijpende verandering in de menselijke relaties van de afgelopen decennia gezorgd. De meeste mensen zijn door de mobiele telefoon tegenwoordig eigenlijk nooit meer waar ze zijn. Ze zijn altijd ergens anders. Ze lopen wel op de plek waar ze lopen, of zitten op de plek waar ze zitten – Waar ben je nu? In de trein tussen Breukelen en Abcoude – maar die plek doet er eigenlijk helemaal niet toe. Voor het gesprek dat ze voeren zouden ze overal en nergens kunnen zijn en daar gaat het ook niet om. Het gaat erom dat ze niet spreken met de mensen die tegenover hun zitten, maar met onzichtbare anderen die ver van hun verwijderd zijn.
 
De mobiele telefoon lijkt wel louter hulpmiddel, maar neemt in de praktijk een heel ander karakter aan. Niemand kijkt vreemd op als we iemand de slaaf van zijn mobiele telefoon noemen. Er zijn maar weinig mensen die een zich aankondigend gesprek kort afdoen omdat ze - gewoon live - al in gesprek zijn. De telefoon fungeerde al veel langer als grote rustverstoorder, omdat aan de inbraak van buitenaf eigenlijk altijd al voorrang werd verleend. De mobiele variant heeft het allemaal nog een paar graden erger gemaakt. Toen de mobiele telefoon zo'n vijftien jaar geleden in zwang kwam, kwam je nog wel eens bordjes tegen die het gebruik in cafés en restaurants verboden. In deze tijd is het niet uitzonderlijk als je van een telefonerende medereiziger een verstoorde blik toegeworpen krijgt als je haar erop wijst dat ze in een stiltecoupé zit. Maar de ingrijpendste verandering die de introductie van de mobiele telefoon heeft gebracht is dat het verleidelijke gemak van het ''altijd en overal bereikbaar kunnen zijn'' is verkeerd in het ''altijd en overal bereikbaar moeten zijn''.
 
De mobiele telefoon heeft inmiddels ook de relatie tussen ouders en kinderen ingrijpend veranderd. Wie durft er tegen te spreken dat het voordelen biedt dat kinderen hun ouders kunnen bereiken ''als er iets is''? Maar ook in dit verband is mogelijkheid snel tot plicht verheven. De kans is groot dat je, als je in deze tijd je dertienjarige dochter zonder mobiele telefoon alleen de stad in laat gaan, je een ontaarde ouder wordt gevonden. Pedagogisch gezien is er een groot probleem. We mogen toch aannemen dat er overeenstemming bestaat over de allerbelangrijkste opvoedingstaak: ertoe bijdragen dat kinderen op eigen benen komen te staan. Maar dat betekent dat we kinderen daartoe ook de gelegenheid moeten geven en dat kan alleen maar als we juist niet altijd weten waar ze uithangen. Privacy is niet zozeer kinderrecht omdat dat mensenrecht ook kinderen toekomt, voor kinderen is privacy voorwaarde om mens te kunnen worden. Voor kinderen biedt het recht op privacy niet zozeer de garantie dat anderen niet zonder hun toestemming hun vrije ruimte mogen betreden, voor kinderen vormt privacy de pedagogische voorwaarde om een eigen ruimte te kunnen leren beheren. Daarom moet de volwassene het kind privacy gunnen. Opvoeding kan niet zonder een zekere controle, maar controle is beslist secundair. Ouders die als belangrijkste motief om hun kinderen een mobiele telefoon te geven inbrengen dat ze daarmee hun eigen ongerustheid de baas kunnen blijven, slaan de plank volledig mis. Nog afgezien van het feit dat technische hupmiddelen uiteindelijk slechts schijnveiligheid bieden, zullen ouders er aan moeten wennen dat ongerustheid het lot is van iedere opvoeder. Het is niet uitgesloten dat een mobiele telefoon in kinderhanden de zelfstandigheid van die kinderen vergroot. Ook daarvan zijn inderdaad voorbeelden te bedenken. Maar het gevaar dat de mobiele telefoon uitsluitend als controlemiddel wordt gezien is levensgroot.
 
Het is een illusie om te denken dat je de ontwikkeling van de techniek kunt tegenhouden. De ontwikkeling van de techniek heeft een eigen kracht en een eigen dynamiek. Iedere ontdekking van een nieuwe technische mogelijkheid vraagt om toepassing, al is het betrekkelijk onvoorspelbaar of een nieuwe toepassing een hoge vlucht zal gaan nemen. Het onverwachte succes van de short message service (sms) - ooit bedacht om snel technische gegevens te kunnen uitwisselen - toont dat nog eens aan. Toch vind ik dat Hans van Crombrugge de toepassing van plaatsbepalingssystemen in de relatie tussen ouders en kinderen te gemakkelijk accepteert. En als je onderzoek doet naar wat mensen ervan vinden is het misschien niet zo interessant om te weten welk percentage van de respondenten de komst van dergelijke hulpmiddelen toejuicht of verafschuwt, als je niet doorvraagt naar de precieze motieven voor hun standpunten. In die zin levert de eerste analyse van de internetenquête niet veel op. Het valt inderdaad te wensen dat LBS niet als controlemiddel zal worden gebruikt, maar als middel om zowel de bewegingsvrijheid van kinderen als de beschikbaarheid van ouders te vergroten. Maar de complexiteit van het juridische toestemmingssysteem dat Van Crombrugge rond de LBS meent te moeten inrichten om dat te bevorderen, laat zien dat dat niet vanzelf zal gaan. Als we het gewone leven verregaand menen te moeten juridificeren is er iets grondig mis. Misschien moeten we de LBS - op een aantal zeer specifieke uitzonderingssituaties na - toch maar buiten de relaties tussen ouders en kinderen proberen te houden. De gewone mobiele telefoon is al controleur genoeg.
 
Zie ook een interview met Bas Levering over kindermobieltjes in het programma ‘Bij ons thuis’ (Teleac/NOT).


Naar homepage