Pedagogiek
in praktijk

De ideale samenleving blijkt, als ze eenmaal bereikt is, toch altijd iets minder ideaal (Redactioneel PiP 61 juni 2011)

De publicatie heeft eigenlijk nauwelijks stof doen opwaaien. Toch bevat het RMO-rapport 'Nieuwe ronden nieuwe kansen. Sociale stijging en daling in perspectief' een bijzondere boodschap.
Door Bas Levering
 
Dat de enorme uitbreiding van het onderwijs in Nederland heeft geleid tot een sterke stijging van het gemiddelde opleidingsniveau, wisten we al langer. Het percentage mensen met alleen lager onderwijs is tegenwoordig wel heel klein. Aan de bovenkant is het plafond volgens de raad nog niet bereikt. Een derde rondt hoger onderwijs af (wo of hbo) en ongeveer de helft van de bevolking haalt een diploma secundair hoger onderwijs (mbo/havo/vwo). Maar dat sociale daling - voor mannen althans - , zowel in het onderwijs als op de arbeidsmarkt, nu echt realiteit geworden is, is nieuw. Na decennia van sociale stijging over generaties, zien we dat er ook kinderen zijn die het minder goed krijgen dan hun ouders. Het is vooral de schoolkeuze na het basisonderwijs die bepalend is geworden voor het uiteindelijk te bereiken opleidingsniveau. Daarbij komt nog dat opleiding in onze tijd een belangrijkere scheidslijn op de arbeidsmarkt is dan sociale herkomst.
 
Maar is dit niet precies wat we altijd hebben gewild? Het gelijke kansenbeleid dat eind jaren vijftig van de vorige eeuw is ingezet lijkt gerealiseerd. Het meritocratisch principe - niet je afkomst bepaalt je toekomstige plek in de samenleving, maar je talent en je werkkracht - heeft eindelijk gezegevierd. Dat dat inderdaad lange tijd niet het geval is geweest moge blijken uit het proefschrift van de socioloog Mick Matthys. Hij promoveerde ruim een jaar geleden aan de Utrechtse Universiteit op Doorzetters. De betekenis van de arbeidersafkomst voor de levensloop van universitair afgestudeerden. Matthys sprak 32 sociale stijgers bij uitstek, chirurgen, hoogleraren, politici, gedreven leraren, directeuren, beleidsmedewerkerkers, onderzoekers, maar ook mensen die ondanks hun universitaire diploma niet zover kwamen. En wat bleek: voor deze 44- tot 65-jarigen had afkomst nog altijd een belangrijke rol gespeeld, ook voor de succesvollen. Al was het maar omdat men zich niet thuis voelde in het hogere milieu, waarin men terecht gekomen was, of zich schuldig voelde over de vervreemding van het oorspronkelijk thuismilieu. De ambities om hogerop te komen hadden ze over het algemeen niet vanuit het arbeidersmilieu meegekregen. Wel waren individuele steunfiguren, zoals de hoofdonderwijzer, de pastoor, een familielid dat het al verder had gebracht, heel vaak toch ook de eigen moeder, in dat opzicht ook van groot belang.
 
Het is dus niet zo vreemd dat de moderne maatschappelijk geslaagde hoogopgeleide ouder teleurgesteld is als zijn kind thuiskomt met een uitslag van de Cito-toets die tot een vmbo-advies leidt. Vanzelfsprekend zou die ouder moeten beseffen dat zijn kind het meest gebaat is bij het vervolgonderwijs dat het beste bij zijn mogelijkheden past. Maar nu we weten hoe bepalend de schoolkeuze na het basisonderwijs is geworden voor het uiteindelijk te bereiken niveau zowel in het onderwijs, als op de arbeidsmarkt, kunnen we de teleurstelling toch goed begrijpen. Iedere ouder mag willen dat zijn kind het beter krijgt - lees 'hogerop komt'. Sociale daling is wellicht toch pijnlijker dan sociale stijging, hoe pijnlijk sociale stijging in sommige gevallen ook is. In Nederland wordt in vergelijking met de meeste andere landen in het onderwijs vroeg geselecteerd. Het lijkt weinig zin te hebben om op welke manier dan ook de discussie over de middenschool nieuw leven in het blazen. Verstandiger is het om het recht op stapelen in het onderwijs met kracht te blijven verdedigen. Want voor de samenleving mag het dan mooi zijn dat de beste man of vrouw op de beste plaats terecht komt, voor het individu is het van groot belang dat na een selectiemoment niet alle kansen verkeken zijn.


Naar homepage