Pedagogiek
in praktijk

De blikvernauwing van de 'voorschool'

In Pedagogiek in Praktijk, nr. 2 (oktober 2001) stelt Meijer dat het feit dat 'kinderen vanaf de geboorte bekeken worden op potentiële onderwijsachterstand', blijkt geeft van een onthutsende blikvernauwing binnen de professionalisering van de kinderopvang. De vraag is of die blikvernauwing wel zo onthutsend is.

Hoe belangrijk is een onderwijsachterstand?

Reactie op het artikel van Wilna Meijer in PIP2, oktober 2001

Cathy van Tuijl

In Pedagogiek in Praktijk, nr. 2 (oktober 2001) stelt Meijer dat het feit dat 'kinderen vanaf de geboorte bekeken worden op potentiële onderwijsachterstand', blijkt geeft van een onthutsende blikvernauwing binnen de professionalisering van de kinderopvang. De vraag is of die blikvernauwing wel zo onthutsend is.

We leven niet meer in een tijd waarin we een elitair of romantisch ideaal van het leven overeind kunnen houden als losgekoppeld van het economische bestaan. Integendeel, we moeten constateren dat met de snelheid van maatschappelijke veranderingen hoge eisen gesteld worden aan het volwaardig in de Nederlandse maatschappij kunnen participeren: niet alleen als werknemer, maar ook als burger en als opvoeder. Dat alles hangt samen met het genoten onderwijs. Geen diploma op vmbo-niveau en een slechte Nederlandse taalvaardigheid betekent meer dan zeer weinig arbeidskansen. Het staat voor weinig financiële armslag (in een context die veel nadruk op consumptie legt), veel minder in staat zijn van geïnstitutionaliseerde hulpbronnen gebruik te maken (kennis van subsidieregelingen, formulier voor huursubsidie kunnen (laten) invullen), of om maatschappelijke veranderingen te kunnen overzien en er in mee te groeien (denk aan het gebruik van de computer om informatie te kunnen opzoeken). Dus zelfs als onderwijsachterstand beperkt zou zijn tot beperkte cognitieve en taalvaardigheid, dan nog heeft dit verstrekkende consequenties voor de kwaliteit van het bestaan en maatschappelijke participatie.
Een andere vraag is of in het onderwijs schoolse vaardigheden een einddoel zijn (zoals Meijer lijkt te beweren) of een middel om einddoelen (als goed toegeruste werknemer, mondige burger en alerte opvoeder) te kunnen realiseren. Duidelijk is in ieder geval wel dat mensen met een goede opleiding meer mogelijkheden hebben iets van het leven te maken dan mensen zonder opleiding.

Wat is een onderwijsachterstand?
Allereerst is de term onderwijsachterstand een verhullende term. Wat eigenlijk bedoeld wordt is dat sommige kinderen onvoldoende toegerust zijn om aan de eisen van het onderwijs te kunnen voldoen. Ontwikkelingsachterstand is een meer directe term, althans binnen de Nederlandse context. Ten tweede, die achterstand is, anders dan de bijdrage van Meijer doet vermoeden, meer dan een cognitieve of taalachterstand. Tot de standaarduitrusting van peuters en kleuters behoort in de Nederlandse context ook bepaald sociaal-emotioneel gedrag. Vraag leerkrachten op welke aspecten Turkse en Marokkaanse kinderen achterstand vertonen, en je krijgt, naast cognitieve en taalachterstand, achterstand in sociaal-emotioneel gedrag te horen. Het gaat om zaken als: hoe gedraag je je in een groepssetting, kun je even op een stoeltje blijven zitten en luisteren naar de juf, kun je samenwerken met andere kinderen. Dat de sociaal-emotionele achterstand vaak als tweede ontwikkelingsaspect genoemd wordt hangt natuurlijk samen met de onderlinge verwevenheid van taal en cognitie enerzijds en het sociaal-emotionele anderzijds. Er is dus sprake van een brede ontwikkelingsachterstand op jonge leeftijd. Ten derde, dat we spreken van onderwijsachterstand heeft ook te maken met degenen die die achterstand constateren. Leerkrachten zijn veelal de eersten die het kind buiten het gezin om goed genoeg leren kennen om daarover te oordelen. Het feit dat leerkrachten een achterstand vast stellen, en dat doen in termen van de context waarin zij de kinderen zien betekent nog niet dat het uitsluitend om onderwijsachterstand gaat.

De onderwijsinsteek is dus niet een onthutsende blikvernauwing zoals Meijer aangeeft maar komt voort uit het feit dat ontwikkelingsachterstand als functionele achterstand in het onderwijs wordt gelabeld, uit het feit dat die achterstand in die context wordt gesignaleerd, en uit het feit dat deze achterstand verstrekkende consequenties heeft voor het maatschappelijk functioneren.
Het feit dat het veelal gaat om een veel bredere ontwikkelingsachterstand maakt het noodzakelijk na te gaan wanneer die achterstand zijn intrede doet en hoe we die achterstand kunnen voorkomen. Allereerst de vraag wanneer? In sommige gevallen doet ontwikkelingsachterstand reeds zijn intrede voor de geboorte: bijvoorbeeld door slechte gezondheidsroutines tijdens de zwangerschap, op te jonge - of juist te late - leeftijd zwanger worden, van naaste familie een kind krijgen, of door ongeïnformeerd te blijven over risico's tijdens de zwangerschap of vlak erna. Veel vaker nog treedt achterstand op tijdens de eerste vijf kinderjaren: in de vorm van eenzijdige of onvoldoende stimulering en ondersteuning van kinderen in fysiek en psychologisch opzicht. De opvattingen over ontwikkeling, opvoeding en onderwijs van lage ses of allochtone ouders, al dan niet in combinatie met andere gedragsrepertoires van deze ouders en hun kinderen, zijn duidelijke risicofactoren voor ontwikkelingsachterstand. Risico op achterstand, met name de opeenstapeling van risico's, lijkt zich veel vaker voor te doen in lage dan in hoge milieus. Met name in allochtone kringen is de opeenstapeling van risicofactoren te vinden en daar is de kans op ontwikkelingsachterstand hoger dan in autochtone kringen. Het gaat daarbij om grote groepen jonge kinderen. Gezien de tendens bij allochtonen om met personen uit het land van herkomst te huwen zal dit probleem zich niet snel oplossen. Vandaar dat het beleid is om vroegtijdig in te grijpen.

'Onderwijs'achterstandbestrijding
Het blijkt erg moeilijk, zij het niet onmogelijk, kansarme ouders te bereiken en ze te begeleiden naar een andere opvoedingspraktijk die meer kansen biedt aan hun jonge kind. En hoewel het onderwijs achterstand signaleert zijn scholen niet in staat de achterstand teniet te doen. Al dertig tot veertig jaar worden internationaal pogingen ondernomen deze achterstand te bestrijden en kansarme kinderen meer kansen te bieden. Ofwel door inzet van (voor- of vroeg-)schoolse programma's ofwel door maatregelen in de welzijnssfeer zoals opvoedingsondersteunende maatregelen. Dat het beleid inzake 'onderwijs'achterstandbestrijding continuïteit ontbeert maakt het niet makkelijker. Inmiddels klinkt er de roep om evaluaties van achterstandsprogramma's. De overheid trekt ook het nodige geld uit voor programma's en evaluaties. Ze heeft echter niet het geduld de uitkomsten van die evaluaties af te wachten en de kennis rond effectiviteit van programma's te benutten. Effectieve programma's als Opstap Opnieuw worden afgebouwd en al het geld wordt gestoken in de nieuwe mode: de voorschool. Of de effecten gevonden bij experimenten van de voorschool ook bij de grootschalige implementatie bereikt zullen worden blijft de vraag. Een meer prangende vraag is of deze effecten van de voorschool zullen beklijven als de ouders er niet bij betrokken worden. Uit de enkele lange termijn gegevens die van voor- en vroegschoolse interventies voor achterstandskinderen beschikbaar zijn blijkt dat zonder ouderbetrokkenheid bij school de effecten van deze interventies uitdoven (Reynolds, 1999). Wat mij betreft is dus niet zozeer de onderwijsinsteek van de voorschool een onthutsende blikvernauwing maar het feit dat ouders daarbij buiten spel gezet worden. Onthutsend is ook de manier waarop de overheid het probleem af doet door een zak geld op tafel te leggen, zonder zich inhoudelijk te bekommeren over een effectieve bestrijding van het probleem.

Het probleem van 'onderwijs'achterstand is wel degelijk dermate serieus dat enige gerichte inzet gerechtvaardigd is. Meijer lijkt zich het belang van onderwijsachterstand en de verstrekkende consequenties van de onderwijsachterstand onvoldoende te kunnen voorstellen. Inzicht in onderwijsachterstand laat zien dat deze zeer vroeg in het leven van het jonge kind zijn intrede doet en in hoge mate samenhangt met bepaalde ouderlijke routines (stimulering en ondersteuning) en opvattingen (bv op welke leeftijd kinderen iets kunnen leren, wat het belang van spelen is in de kinderjaren). Dat er onvoldoende is nagedacht over de inhoud van de voorschool om blijvende effecten te waarborgen, en over eventuele effectieve alternatieven, is echter wel onthutsend.



Naar homepage