Pedagogiek
in praktijk


VERSLAG CONGRES STRAATPUBERS, over hanggroepen en straatcultuur

Nederlandse zomers kunnen prachtig zijn. Maar met stijgende temperaturen stijgt ook de kans om door een groepje jongeren op de hoek van de straat te worden nageroepen, uitgelachen zelfs bedreigd. Het congres ‘Straatpubers’ dat op 16 juni plaatsvond trok een enthousiaste mix van een kleine tweehonderd jongerenwerkers, hulpverleners en ook enkele politieagenten naar zaal ’t Spant in Bussum om zich over dit probleem te buigen.

Al snel werd duidelijk dat het onderwerp van de dag uiteenlopende associaties opriep: wie zijn die straatpubers eigenlijk? Hebben we het over jongetjes die een beetje stoer doen of gaat het over jeugdbendes? Meermaals kwam de classificatie van Bureau Beke ter hulp: je kan jeugdgroepen indelen in drie categorieën: hinderlijke jeugd, overlastgevende jeugd en criminele jeugd. Maar even zo vaak werden er vraagtekens geplaatst bij deze indeling. Zoals de eerste spreker van de dag, Jose Manshanden (RMO) opmerkte: deze classificatie suggereert dat er geen onhinderlijke jeugdgroepen bestaan! Er is dus een nulvariant die vooraf dient te gaan aan de storende groepen. Maar ook aan de bovenzijde van het spectrum werd een aanvulling gemaakt: criminele jongeren behoren niet altijd tot jeugdbendes of -gangs. Dit verschijnsel dat in andere landen toch duidelijk voorkomt is in Nederland nagenoeg afwezig. Dat scheelt. Goed, samenvattend: straatpubers zijn lui, leuk, lastig, link of levensgevaarlijk. Noem het voor mijn part het 5L’en schema.

Ook werd al gauw duidelijk dat één dag veel te kort zou zijn om alle aspecten van het werken met al deze groepen aan bod te laten komen. Toch wisten de sprekers en workshopleiders met hun prikkelende bijdragen in korte tijd veel indruk te maken. Er groeide zelfs een zekere consensus onder de deelnemers: stoere maatregelen tegen onaangepaste jongeren zijn soms wel degelijk nodig om rust te brengen, maar slaan vaak door of zelfs om in het tegendeel. Aangewezen is een totaalaanpak, waarin attentie, preventie en repressie hand in hand gaan en door alle ketenpartners simpelweg gekeken wordt naar wat het beste werkt voor deze groep, op deze plek, in deze omstandigheden. Kortom, er moet maatwerk worden geleverd. En dit maatwerk is het soort werk dat niet kan worden bedacht achter een bureau, laat staan dat het daar kan worden uitgevoerd. Werken met jongeren in de straatcultuur betekent dat je zelf elke dag de straat opgaat, contact maakt met de jongeren en vertrouwen probeert te winnen. Niet als trucje, om dingen voor mekaar te krijgen, maar omdat dit simpelweg de enige werkbare manier is om in contact te blijven en werkelijk een rol te kunnen spelen als professional.

Maar dan? Wat doen we met de informatie over de groepjes? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat er structureel maatwerk kan worden geleverd? Ook voor dit probleem heeft het eerder genoemde Bureau Beke een instrument bedacht: de shortlist methodiek. Het gaat om een landelijk verplicht geïmplementeerd taxatie-instrument. Een vragenlijst die door alle professionals wordt ingevuld en aan de plaatselijke politie overhandigd om prioriteiten in het plaatselijke jeugdbeleid te formuleren: uit hoeveel mensen bestaat de groep? hoe groot is het verschil in leeftijd binnen de groep? Hoe vaak wordt er softdrugs gebruikt? enz… Deze manier van scannen belooft bij te dragen aan een beter overzicht en aanpak. Een interessante ontwikkeling, die evenwel op enige scepsis stuitte bij de aanwezige jongerenwerkers. Het probleem is dat jongeren alleen worden ingedeeld op negatieve afwijking, terwijl er evengoed jongens tussen zitten die positief afwijken: de shortlist methodiek is blind voor talent. En dat kunnen de jongerenwerkers zich niet permitteren. Die kwamen dan ook met hun eigen variant: in de workshop werd het de kleurenmonitor genoemd, maar een zoektocht op google leverde niks op. Misschien toch nog niet zo wijdverbreid?    

Een hele dag ervaringen uitwisselen over werken met jongeren op straat draagt onmiskenbaar bij tot een scherper beeld van het fenomeen straatcultuur en hoe zich erin te gedragen als professional: ‘zie de wereld van volwassen en straatjongeren als twee totaal verschillende werelden’ (Patrick Smelt ea); Meer meiden op straat maakt veel gezelliger (Marianne Martens); gebruik de taps van politie om zorgprofessionals te informeren (Hans Schaafsma) en ‘hou er rekening mee dat de straatcultuur een collectivistisch geheel is, waar onze individualistische kijk op de dingen niet geldig is’ (Frank van Strijen). Werden er ook kant-en-klare adviezen gegeven? Zeker: gebruik je gezond verstand en houd voortdurend in de gaten wat er om je heen gebeurt: informeer in heel de buurt, kijk elke dag tien minuten Youtube om bij te blijven en voel je op je gemak bij de jongeren. Dan dwing je voor je het in de gaten hebt vanzelf respect af.

Voor herhaling vatbaar, zou je zeggen. Bij een dag als deze wint immers iedereen, omdat de deelnemers uit de verschillende beroepsgroepen open stonden voor elkaars visie en erin geslaagd zijn om in hun kijk op het fenomeen ‘hangen’ niet zelf te blijven hangen.

Omdat het nog niet duidelijk is wanneer er een vervolg komt, lanceert het tijdschrift 'PIP-pedagogiek in praktijk' een aparte discussiegroep genaamd ‘Straatpubers’ op haar Linked In-pagina. Deelnemers van het congres ontvangen gauw een bericht via Linked In om lid te worden van deze groep.

 

   PIP presenteert

 

9 juni zal er sneller zijn dan verwacht. Wij besparen u tijd door de standpunten over opvoeding en onderwijs van de verschillende partijen op een rijtje te zetten. PIP presenteert 10 pedagogische thema’s en telkens drie partijen die zich erop profileren:
  • Gelijke kansen op school
  • Centra voor jeugd & Gezin
  • Probleemjongeren
  • Kinderopvang
  • Burgerschapsvorming
  • Vroegtijdige schoolverlaters
  • Jeugdzorg
  • Drugs en alcohol
  • Straffen jongeren
  • Verplichte opvoedondersteuning

Wat zijn de meest opvallende keuzes, waar blijft men op de vlakte? En welke prioriteiten komen er uiteindelijk naar voor?

Om mee te discussiëren hoeft u zich enkel aan te melden bij de PIP-pedagogiek.nu groep op Linked In. De PIP-groep op LinkedIn is bedoeld voor iedereen die interesse heeft in opvoedingsvraagstukken in de geest van het tweemaandelijkse blad PIP - pedagogiek in praktijk en de bijhorende website pedagogiek.nu.
 

THEMA 1: Hoe bevorder je gelijke kansen op school?


PVDA

  • Betere regeling toelatingsrecht scholen. Er is sprake van een ondervertegenwoordiging van achterstandskinderen in het bijzonder onderwijs. De PvdA vindt dit een slechte zaak. Toch kunnen scholen op voorhand niet verplicht worden alle kinderen op te nemen. Een school mag van de ouders vragen dat deze de grondslag niet alleen respecteren maar ook zelfs onderschrijven.
  • Acceptatieplicht. Met name in de grote steden doen achterstanden zich in grotere mate voor dan in andere gebieden. Daarom krijgen scholen in deze steden extra geld om onderwijsachterstanden weg te kunnen werken. In de wijken waar de mensen met de laagste inkomens en het laagste opleidingsniveau wonen, wonen ook de meeste achterstandsleerlingen. De PvdA vindt dat postcodes veel minder moeten bepalen of kinderen doordringen tot havo en vwo. Voor de PvdA is het belangrijk dat kansarme en kansrijke kinderen uit dezelfde wijk samen naar een gemengde school gaan.
  • Forse investeringen zijn nodig om verbetering te kunnen boeken bij de schrijf-, lees-, en rekenachterstand die jongeren hebben. De PvdA is van mening dat er voorzichtig stappen moeten worden gezet zodat elk kind passend onderwijs krijgt dat recht doet aan zijn of haar capaciteiten en beperkingen

VVD

  • De VVD wil af van lange verbetertrajecten voor slechte scholen. Slechte scholen moeten (sneller) gesloten worden. Zij krijgen veel te lang de kans zich te verbeteren, wat ten koste gaat van de leerlingen. De financiering die dan niet langer naar die scholen gaat, kan worden ingezet om de achterstand bij de leerlingen van de zwakke school bij te spijkeren. Woordvoerder Ineke Dezentjé Hamming: “Wat mij betreft staat het recht van een kind op goed onderwijs boven het recht van een schoolbestuurder om een slechte school open te houden”. - Zwarte scholen worden aantrekkelijker voor een autochtoon publiek als ze zich tot brede school ontwikkelen. Het kan mensen over de streep trekken om hun kinderen toch naar de zwarte school in de buurt te sturen, en niet naar de witte in een andere wijk. - Veel kinderen beginnen in groep 1 van de basisschool al met een (taal)achterstand. De VVD is er voor om verplichte taaltesten af te nemen op het consultatiebureau en taallessen aan te bieden om achterstanden te voorkomen. - Leerlingen met ernstige leer- of gedragsproblemen mogen niet ten koste van zichzelf en hun medeleerlingen in het reguliere onderwijs worden geperst, maar toegang krijgen tot het speciaal onderwijs.

GROEN LINKS

  • Veel zwarte scholen kampen met een concentratie aan achterstandsleerlingen. GroenLinks wil daarom fors investeren in onderwijs om de achterstanden aan te pakken, zodat alle scholen weer aantrekkelijk worden voor alle ouders.
  • Veel hoogopgeleide ouders kiezen een witte school voor hun kinderen, zelfs al is die school relatief ver weg. Bovendien hebben bijzondere scholen nog altijd veel mogelijkheden om leerlingen te weigeren. GroenLinks wil een acceptatieplicht voor bijzondere scholen. Bijzondere scholen moeten alle leerlingen toelaten, zolang de ouders de grondslag van de school maar respecteren.
  • GroenLinks wil ook af van de situatie waarin mondige witte ouders hun 10 weken oude baby inschrijven op school, waardoor minder goed geïnformeerde ouders achter het net vissen. Er moet één vast aanmeldmoment komen. Bijvoorbeeld je mag je kind inschrijven vanaf drie jaar.
  • GroenLinks pleit voor meer persoonlijke aandacht en onderwijs op maat, vooral voor de ‘zorgleerlingen’ (vooral Vmbo).

 

THEMA 2: Centra voor jeugd en gezin. Een goed idee?

 

 

 

 

 

 

 

 

CDA

  • Het CDA vindt dat ouders in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van hun kinderen. Een evenwichtige en gezonde thuissituatie is volgens het CDA de beste basis om op te groeien. Maar soms hebben ouders en hun kinderen behoefte aan professionele hulp. Het CDA vindt het belangrijk dat ook gezinnen elkaar daar kunnen ontmoeten, van gedachten kunnen wisselen en elkaar informatie en advies geven.
  • Ook vindt het CDA dat ouders niet eerst tien hulpverleners hoeven af te lopen voordat ze bij de juiste persoon of instelling zijn. Een goed elektronisch kinddossier kan dit voorkomen. Dit dossier bevat informatie over het kind, de gezinssituatie en de omgeving volgens het motto: geen kind buiten beeld.
  • Extra geld kan soms helpen. Maar er moet ook doelmatiger worden gewerkt in het belang van het kind, door samenwerking tussen de ministeries. Het CDA kiest voor een gezinsbeleid waarin ouders zelf verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit vraagt om een andere rol van de overheid. Niet om de rol van opvoeder over te nemen, maar wel om randvoorwaarden te creëren waaronder het voor ouders mogelijk is op een goede manier invulling te aan hun verantwoordelijkheid. En, waar ouders onwillig of onmachtig zijn, een dwingender rol te spelen.
  • Het CDA legt bij het gezinsbeleid de nadruk op preventie. Een belangrijk instrument daarbij vormen de Centra voor Jeugd en Gezin. Deze CJG’s moeten een schakel vormen tussen allerlei hulpverleners die betrokken zijn bij het gezin: consultatiebureaus, scholen, maatschappelijk werker, Bureau Jeugdzorg etc. Ouders kunnen er informatie krijgen over vragen rondom opvoeding

SP

  • Vanuit laagdrempelige centra in de buurt worden ouders ondersteund bij de opvoeding, wordt hulp en zorg geboden en als dat nodig is rechtstreeks doorverwezen naar specialistische hulp. Kamerlid Marianne Langkamp wil dat de vrijwillige hulpverlening van Bureau Jeugdzorg wordt ondergebracht bij de Centra Jeugd en Gezin. “Zo halen we één bureaucratische laag weg, en zorgen we ervoor dat Jeugdzorg stevig in de wijken verankerd wordt.”
  • Ook pleit zij voor een drastische beperking van registratie en indicatieformulieren. Woordvoerder Jasper van Geijtenbeek: "Wat wij niet willen is dat wanneer een kind in vertrouwen aangeeft gepest te worden de hele molen gaat draaien en binnen de kortste keren een folder bij de ouders thuis ligt voor bijvoorbeeld een Sociale Vaardigheidstraining".
  • Daarnaast worden grote vraagtekens gezet bij het Elektronisch Kind Dossier (EKD). De SP is van mening dat niet iedereen die verbonden is aan de jeugdgezondheidszorg, zomaar het EKD moet kunnen inzien en dat duidelijk vast moet komen te staan dat deze alleen toegankelijk moet zijn voor artsen.

Christenunie

  • Eind 2011 moet elke gemeente ten minste over één Centrum voor Jeugd en Gezin beschikken. Ouders en kinderen kunnen in de centra onder andere terecht voor gezondheidscontroles en vragen over opvoeding. Laagdrempeligheid staat voorop. Ouders moeten met alle mogelijk vragen over opvoeden en opgroeien en voor hulp terecht kunnen bij een laagdrempelig en herkenbaar punt in de buurt.
  • De Centra voor Jeugd en Gezin moeten niet geproblematiseerd worden. Gemeenten hebben de vrijheid om de inlooppunten daar aan te haken waard dit het meest passend is. Veel gemeenten zijn er al mee aan de gang. Het is dus mogelijk om een en ander snel te realiseren. In een heel aantal gemeenten functioneren vergelijkbare samenwerkingsvormen die al grotendeels regelen wat met de Centra wordt beoogd. De zaak voor gemeenten is nu om te kijken in hoeverre deze bestaande vormen voldoen aan het basismodel.
  • De minister beoogt de regierol van de gemeenten wettelijk te verankeren. Die regierol ziet op: één gezin, één plan. Het realiseren van sluitende afspraken tussen partijen uit de jeugdketen. In de kern bestaat de rol van de gemeente er uit dat de gemeente ervoor zorg dat er een beslissing wordt genomen over wie verantwoordelijk is voor de coördinatie van zorg.

 

 

THEMA 3: Projecten voor probleemjongeren

PVV

  • Inventariseer de enorme wildgroei aan dit soort projecten en evalueer wat wel en wat niet werkt.
  • Stop projecten met minder dan 80% slagingskans.
  • Geef jongeren eenmalig de kans op zo’n traject en daarna niet meer.
  • Zorg ervoor dat er alleen geld gegeven wordt voor projecten met een concrete uitkomst zoals het behalen van een diploma.
  • Van school verwijderde leerlingen worden op ‘reboundscholen’ geplaatst; een soort heropvoedingskampen waar ontspoorde leerlingen normen en waarden krijgen bijgebracht. Professionals bepalen of er een terugkeer naar het reguliere onderwijs mogelijk is.
  • Scholen krijgen de bevoegdheid om probleemleerlingen, zonder toestemming van ouders, door te verwijzen naar het speciaal onderwijs.

D66

  • Voor probleemjongeren worden doorgaans kostbare overheidsprogramma's opgezet, terwijl de primaire verantwoordelijkheid bij de falende ouders en de jongeren zelf ligt.
  • Meer ruimte en ondersteuning voor de instituten die leerlingen met problemen opvangen en begeleiden, en kunnen aantonen dat zij hiermee succes hebben, (time-out; rebound, zorgteams, schoolmaatschappelijk werk, schoolarts, wijkagent).
  • Wie geen werk heeft en geen scholing wil volgen kan gekort worden op de uitkering.

PvdA

  • Probleemjongeren die hun leven hebben gebeterd, moeten eerder een zogeheten Verklaring Omtrent het Gedrag (vog) kunnen krijgen. Dat vergroot de kans op een stage of een baan.
  • De aanpak van criminaliteit en overlastgevend gedrag heeft prioriteit. De PvdA pikt niet dat enkele groepen jeugdbendes en hanggroepjongeren het voor heel veel mensen in de buurt verpesten. Asociaal gedrag moet aangepakt worden volgens het ‘Doe normaal model’.
  • Jeugdcriminaliteit wordt hard aangepakt met een lik op stuk beleid en een gerichte aanpak van verschillende risicogroepen. Maar daarnaast moet er ook aandacht zijn voor een preventieve aanpak. Ouders moeten waar nodig opvoedingsondersteuning krijgen en er moet aandacht komen voor het coachen van jongeren.
  • VMBO en MBO scholen moeten meer geld krijgen om ‘overbelaste’ probleemjongeren beter te begeleiden.

THEMA 4: Kinderopvang

SP

  • De SP hecht veel waarde aan toegankelijke, kwalitatieve en betaalbare kinderopvang.
  • Kinderopvang wordt goedkoper. Het belang van het kind staat daarbij voorop.
  • In de Wet Kinderopvang moeten kwaliteitseisen worden vastgelegd. De overheidsbijdrage voor kinderopvang wordt verhoogd en alle werkgevers worden verplicht via een heffing mee te betalen aan kinderopvang.
  • Er komt een recht op betaald ouderschapsverlof van 6 maanden.
  • De SP wil samenwerking tussen scholen en de professionele kinderopvang stimuleren. Naschoolse opvang in of bij sportaccommodaties is uitstekend maar alleen met gediplomeerde leidsters in goedgekeurde eigen ruimtes.
  • De kinderopvangregeling is bedoeld voor ouders die geen familie of buren hebben die hun kind kunnen opvangen, of die daar niet voor kiezen.
  • Gastouderbureaus kunnen alleen gastouders inschrijven die bereid zijn alle kinderen op te vangen, dus geen opa’s en oma’s die alleen op hun kleinkind willen passen.”

VVD

  • Goede en betaalbare kinderopvang is volgens de VVD een belangrijke voorwaarde voor bevordering van de arbeidsparticipatie en de economische zelfstandigheid van vrouwen én mannen.
  • De VVD wil een kwalitatief goede en betaalbare regeling voor kinderopvang. De VVD vindt het belangrijk dat gezinszorg en carrière kunnen samengaan.
  • De laatste jaren heeft een enorme groei plaatsgevonden in de gastouderopvang. De VVD juicht dit van harte toe.
  • De VVD pleit voor het koppelen van kinderopvang aan daadwerkelijk gewerkte uren, behoud van de gastouderopvang, degelijke en haalbare kwaliteitseisen stellen aan de gastouderopvang en het tegengaan van de fraude in het systeem.
  • De VVD staat voor het behoud van betaalbare kinderopvang met vrijheid voor ouders om die opvang zelf te kiezen.
  • Om de betaalbaarheid van de kinderopvang te garanderen draagt de overheid bij aan de kosten voor kinderopvang en gastouderopvang met een maximum van 5 euro per uur.

ChristenUnie

  • Voor het invoeren van een kindgebonden budget. Dit budget biedt ouders wérkelijke keuzevrijheid, het kindgebonden budget komt niet alleen ten goede aan de kosten voor kinderopvang, maar ook aan gezinnen die de zorgtaken volledig zelf op zich nemen en in verband daarmee een deel van hun inkomen opgeven.
  • De hierboven geschetste kindgebonden benadering krijgt vorm in de volgende onderdelen:

1. De inkomensonafhankelijke kinderbijslag: deze wordt verhoogd. Voor kinderen van 0 tot en met 5 jaar gaat de kinderbijslag fors stijgen; deze wordt namelijk gelijkgetrokken met de kinderbijslag voor kinderen van 6 tot en met 11 jaar.
2.
Het kindgebonden budget, dat wil zeggen dat de huidige inkomensafhankelijke kinderkorting en de financiële middelen samenhangend  met de WKO (Wet KinderOpvang) worden samengevoegd tot een inkomensafhankelijke bijdrage per kind. De verandering in de WKO moet er niet toe leiden dat kinderopvanginstellingen abrupt in de problemen komen. Daarom krijgen kinderopvanginstellingen een afdrachtvermindering, zodat de personeelskosten omlaag gaan. Daarnaast worden de werkgevers verplicht bij te dragen aan de kinderopvangkosten van de werknemers.
3.
De Combinatiekorting Nieuwe Stijl. Deze geldt tot een maximum van 60 uur per gezin, indien één van de kinderen jonger dan vier jaar is. Hiermee komt het karakter van een tegemoetkoming voor het combineren van arbeid en zorg beter tot uitdrukking: mensen die minder werken teneinde de zorg voor kinderen op zich te kunnen nemen, derven inkomsten.
4.
Deeltijdarbeid, verlofregelingen en flexibele arbeidsuren worden aangemoedigd zodat ouders betaalde arbeid beter kunnen combineren met zorgtaken.
5.
De alleenstaande ouderkorting gaat omhoog.
 

THEMA 5: Burgerschapsvorming 

CDA

  • Volgens het CDA staan de volgende waarden wat bertreft het burgerschap centraal: gelijkwaardigheid (iedereen is gelijk voor de wet), zelfwerkzaamheid (zoveel mogelijk het eigen inkomen verwerven), betrokkenheid (oog voor de ander), redelijkheid (beslissingen kunnen verantwoorden).
  • Alle 18 jarigen, vieren/markeren dat ze het (staats)burgerrecht verkrijgen. Daarbij is er een aanpassing nodig van de Verklaring van Verbondenheid.
  • Alle jongeren die 18 jaar worden, krijgen allen een Grondwet toegestuurd en worden uitgenodigd bij raadsvergaderingen van de plaatselijke gemeente.

SP

  • De SP is voor postmodern onderwijs waarin aandacht wordt besteed aan alle (geestelijke) stromingen zonder één stroming te bevoordelen.
  • Een claim op de waarheid leidt in de ogen van Jasper Van Dijk tot onderdrukking en intolerantie van andersdenkenden.
  • Reformatorische scholen belemmeren volgens de SP het burgerschap. Scholen moeten jongeren voorbereiden op de multiculturele samenleving en daarom is het goed dat kinderen in de klas ook met andere meningen, godsdiensten en culturen te maken krijgen.

Partij voor de Dieren

  • De kern van goed burgerschap zit volgens de Partij voor de Dieren in het respectvol omgaan met alle levende wezens, ook in het onderwijs.
  • Gezondheid, voeding, natuur, dierenwelzijn en milieu moeten een essentieel onderdeel worden van natuuronderwijs en biologielessen.
  • Sponsoring van het onderwijs en schoolboeken door commerciele partijen moeten worden verboden om de onafhankelijkheid van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te waarborgen.

 

THEMA 6: Vroegtijdige schoolverlaters

VVD

  • Het aantal voortijdig schoolverlaters is één van de grootste problemen in het Nederlandse onderwijs. Voortijdig schoolverlaten verhoogt het risico op armoede, sociale uitsluiting, en criminaliteit.
  • In de overtuiging dat de uitvallers vastgehouden moeten én kunnen worden, moeten er langs vier wegen maatregelen worden genomen:

1. Aanpassing van het onderwijssysteem en het aanbod (trajecten vmbo-mbo in één, meer praktijk, meer stageplaatsen).
2. Aanpak spijbelen en persoonlijke begeleiding leerlingen. Volgorde: eerst begeleiding, naar de spijbelrechter als dat nodig is.
3.
Dwang & drang: verhoging leerplicht tot 21 (diplomaplicht, met een startkwalificatie op zak, kun je gaan).
4.
Nieuwe verantwoordelijkheden voor vmbo-scholen: overdragen leerlingen aan een leerwerkbedrijf of vervolgopleiding.


PVV

  • De PVV vindt dat er een te grote groep ‘drop-outs’ is, bestaande uit spijbelaars en leerlingen die zonder (bruikbaar) diploma school verlaten.
  • Diploma- en sollicitatieplicht tot 23 jaar. Met deze plicht voorkom je dat jongeren van onder de 23 zonder (bruikbaar) diploma school verlaten en dus een kansloze positie hebben op de arbeidsmarkt.
  • Het onderwijs moet beter gaan aansluiten bij de talenten van leerlingen (onder andere door herinvoering van de ambachtsschool).
  • De PVV wil Brede Scholen, waar een goede samenwerking is tussen de scholen, kinderbescherming, politie, justitie, gezondheidszorg, sportverenigingen, kinderopvang, ouders en kinderen zelf verder uitbouwen. Mocht één van deze instanties problemen in het gezin (in de opvoeding) constateren, dan dient hulp aan ouders verplicht en justitieel afgedwongen te kunnen worden, om zo tijdig hulp op maat te kunnen bieden en problemen op tijd in de kiem te kunnen smoren.
  • De PVV wil dus sneller kunnen ingrijpen in gezinnen waar de opvoeding ‘mis’ dreigt te lopen.
  • Voor de leerlingen die meer discipline en begeleiding behoeven moeten er tuchtscholen en heropvoedingskampen in het leven roepen worden.

PvdA

  • De PvdA vindt het onacceptabel dat zoveel jongeren zonder diploma de school verlaten. Dat is slecht voor hun positie op de arbeidsmarkt en slecht voor de Nederlandse economie.
  • De PvdA wil het jeugdbeleid van het Kabinet Balkenende terugdraaien. Het kabinet Balkenende schafte de fiscale subsidie voor werkgevers die laaggeschoolde jongeren in dienst nemen af en bezuinigde op gesubsidieerde banen.
  • De PvdA wil een convenant sluiten tussen het Ministerie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en MKB-Nederland om de komende vier jaar minimaal 30.000 jongeren aan het werk te helpen. Dat convenant moet zich richten op dreigende uitval in het MBO en het VMBO en op de jongeren die al uitgevallen zijn aan wie weer perspectief geboden moet worden.
  • PvdA wil € 1000 per leerling voor leer-werktrajecten. Het MKB heeft nu al een project om 10.000 jongeren aan een baan te helpen. Daarvoor krijgen ze 2 miljoen euro van de overheid. Dat is € 200 per leerling om een leer-werktraject van op te zetten. Dit zou dus € 1000 per leerling moeten worden. (januari 2010, nog voor de bezuinigingsplannen)
  • Stel een fiscale loonkostensubsidie in voor werkgevers die jongere werklozen en schoolverlaters in dienst nemen
  • Intensiveer de duale trajecten, ofwel de combinatie van werk en scholing en richt die trajecten speciaal op dreigende uitvallers in het MBO en VMBO
  • Regel de erkenning door MKB-sectoren van vaardigheden die leerlingen buiten school leren
  • Stimuleer werkgevers af te zien van 'groenpluk': het aantrekken van jongeren met een onafgemaakte opleiding
  • Maak het voor werkgevers makkelijker om werkende jongeren (bij)scholing aan te bieden

 

THEMA 7: Jeugdzorg

GroenLinks

  • GroenLinks wil dat de jeugdzorg voor iedereen toegankelijk wordt. Dit willen ze bereiken door hulp dichtbij mensen thuis aan te bieden.
  • Kinderen en jongeren worden niet meer op wachtlijsten geplaatst.
  • Ieder gezin krijgt een eigen pedagogische huisarts die directe opvoed- en opgroeiondersteuning geeft. Deze jeugdarts werkt zoveel mogelijk samen met de familie en vrienden van het gezin, de school, de huisarts en politie. Wanneer deze hulpverlener de zorg niet zelf kan geven, dan verwijst hij de jongere of het gezin door naar de gespecialiseerde jeugdzorg.
  • Als een kind of jongere echt niet meer thuis kan wonen, dan wordt het bij voorkeur niet in een instelling geplaatst maar in een pleeggezin.
  • GroenLinks wil dat de vergoedingen voor pleeggezinnen omhoog gaan.
  • Verschillende instanties en de daarbij behorende geldstromen worden samengevoegd. Gemeenten krijgen de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg.
  • GroenLinks wil dat hulpverleners minder kinderen onder hun hoede krijgen. Tijd die zij besteden aan papieren verantwoording moet afnemen zodat er meer tijd overblijft voor het geven van hulp.

D66

  • Helaas is duidelijk dat het belang van het kind niet altijd voorop staat in de wijze waarop de jeugdzorg is ingericht en te werk gaat. De werkwijze van de jeugdzorg moet en kan veel beter. Het belang van het kind moet veel centraler komen te staan.
  • Toegang tot ouders in probleemgezinnen moet beter geregeld worden. Veel kinderen met problemen komen uit gezinnen waarin de ouders onvoldoende (kunnen) functioneren. Op dit moment krijgen jeugdartsen van de GGD en medewerkers van jeugdzorg geen, of moeilijk toegang tot de ouders.
  • Bezoek consultatiebureaus moet honderd procent worden. Ouders worden verplicht met hun kind het consultatiebureau te bezoeken. Alle kinderen die niet verschijnen op het consultatiebureau worden gemeld bij Bureau Jeugdzorg en actief opgespoord.
  • Verplichte ondersteuning voor ouders die dat nodig hebben.
  • D66 wil een eind maken aan de bureaucratie en de verkokering. Daarom dient ten minste zeventig procent van de mensen in de jeugdzorg uit directe hulpverleners te bestaan.
  • Er moet binnen 24 uur een huisbezoek wordt afgelegd als er een serieuze melding van kindermishandeling binnenkomt.

PvdA

  • Einde aan de wachtlijsten in de jeugdzorg. Kinderen verdienen zorg en bescherming. Hulp moet veel sneller beschikbaar zijn.
  • Omslag naar preventief beleid. Ouders en kinderen moeten ondersteund worden, het liefst in de gezinssituatie, om te voorkomen dat zware jeugdzorg nodig wordt.
  • Meldingsplicht voor mensen die vanuit hun werk met kinderen te maken hebben en een vermoeden hebben van misbruik of mishandeling. Een melding moet leiden tot actie van de hulpverleners.
  • De PvdA wil de organisatie in de jeugdzorg drastisch versimpelen. Schotten en verkokering moeten worden geslecht.
  • Meer opvoedingsondersteuning en gezinscoaching. De PvdA wil vanwege het belang van preventie meer opvoedingsondersteuning en gezinscoaching voor ouders die het alleen niet redden. Dat is ook het belang van de nieuwe Centra voor Jeugd en Gezin. Laagdrempelig advies en bijstand.
  • Verbeteren van pleegzorg. De voorkeur heeft het kinderen te helpen en beschermen in het gezin, door ondersteuning en begeleiding van de ouders. Als dat niet mogelijk is, moet worden gekeken naar opvang in de omgeving van het gezin, bijvoorbeeld familie. Als dat niet mogelijk is verdient pleegzorg de voorkeur. Alle pleegouders (dus ook een eenhoofdige pleegoudervoogd) hebben recht op goede financiële en professionele ondersteuning.
  • Op initiatief van de PvdA is er door de Tweede Kamer een parlementaire werkgroep jeugdzorg opgezet. Deze werkgroep onderzoekt de komende tijd de problemen binnen de jeugdzorg.
     

THEMA 8: Alcohol- en drugspreventie

D66

  • D66 vindt dat er meer voorlichting moet komen voor jongeren onder 18 jaar oud over de risico’s van het gebruik van drugs en alcohol.
  • De ouders hebben de eerste verantwoordelijkheid als het gaat om drugs en alcohol gebruik en preventie bij jongeren. D66 is daarom van mening dat de ouders ook moeten worden ingelicht als het gaat over de gevaren, ze moeten worden gewezen op de eigen verantwoordelijkheid die ze dragen jegens hun kinderen.
  • Om roken en overmatig alcoholgebruik tegen te gaan moet het verkoopverbod aan jongeren onder de 16 jaar strenger gehandhaafd worden. Niet alleen verkopers van alcohol, maar ook ouders en kinderen moeten hiervoor wettelijk aansprakelijk worden.
  • Er mag geen drugs worden verkocht aan jongeren onder de 18 jaar oud.
  • Coffeeshops mogen niet in de buurt van scholen worden geplaatst.
  • D66 is voor openheid over softdrugs en alcohol. Dit levert een grotere bijdrage aan de volksgezondheid dan het onbespreekbaar laten.
  • Om gebruikers nog meer inzicht te geven in de werking van cannabis wil D66 een nieuwe eis toevoegen, namelijk de eis tot informatievoorziening. Het gehalte van THC moet worden vermeld.


CDA

  • Kinderen en jongeren moeten weerbaar worden gemaakt om alle verleidingen in deze samenleving het hoofd te kunnen bieden. Er kan niet vroeg genoeg worden begonnen met het bewust maken van risico’s van een ongezonde leefstijl, het gevaar van roken, alcohol, en drugs. De ouders, de directe omgeving, het onderwijs en de overheid hebben daar ieder hun eigen verantwoordelijkheid in.
  • In het onderwijs moet bevorderd worden dat ex-verslaafden voorlichting gaan geven over de gevaren van drugs. Dit moet ook gebeuren in groep 8 van de basischool. Dat heeft duidelijk resultaat.
  • Het CDA is voor meer sociale controle van buurtbewoners, eigenaren van cafés en van de jongeren zelf.
  • Ouders zijn zich nauwelijks bewust van de risico’s van alcoholmisbruik bij jongeren. Maar ook scholen zijn onvoldoende op de hoogte. Daarom moet er veel meer aandacht komen op preventie en inlichting. De speciaal op jongeren gerichte maartregelen zijn:

             1. voorlichting
             2. preventieprojecten op scholen
             3. geen alcoholreclame overdag of in de vroege avonduren
             4. een gematigde accijnsverhoging

SP

  • De gevaren van illegale drugs en legale drugs als alcohol en tabak moeten veel indringender onder de aandacht worden gebracht. Voorlichting hierover hoort in het lespakket van de basisschool en voortgezet onderwijs. En zou beschikbaar moeten zijn in jongerencentra en uitgaansgelegenheden. Die moet dan wel worden gebracht op een manier die aansluit op de belevingswereld van jongeren.
  • Het toenemende misbruik van alcohol, vooral onder jongeren, is volgens de SP zo zorgwekkend dat een scherper ontmoedigingsbeleid moet worden gevoerd.
  • Om de 'grijpbaarheid' voor jongeren terug te brengen, moet de verkoop van sterke drank worden beperkt tot de speciaalzaken. Daarom
    moet verkoop van zoethoudende alcoholische dranken (mixdrankjes) in de supermarkt gestaakt worden.
  • De SP pleit voor het scherper controleren en het verbeteren van toezicht van winkels op het verkopen van alcohol. Wanneer supermarkten drie keer de fout in gaan om alcohol te verkopen aan jongeren onder de 16 jaar, mag de supermarkt geen alcohol meer verkopen.
  • Alcoholreclame en zogenaamde 'happy-hours' moet worden verboden, omdat dat allebei aanzet tot drinken en tot meer drinken.
  • Er moeten door het hele land alcoholpoli's komen die jongeren en ouders hulp en nazorg beiden als de jongere met een alcoholvergiftiging wordt opgenomen in het ziekenhuis.
  • Voorlichting is erg belangrijk, voornamelijk voor ouders. De schade die alcohol toebrengt aan het jonge brein rechtvaardigt een waarschuwing op de verpakking.

THEMA 9: Criminele jongeren strenger straffen?

PvdA

  • Criminele draaideurjongeren moeten slimmer worden gestraft. Als jongeren opnieuw de fout in gaan of weigeren een opgelegde sanctie uit te voeren, moeten zij lik-op-stuk krijgen. Dat betekent niet terug naar de rechter, maar direct een strafmaatregel.
  • De rechter moet jongeren naast een celstraf ook een gedragsmaatregel op kunnen opleggen. Voorbeelden van een aantal gedragsmaatregelen: crimininele jongeren moeten een opleiding volgen, een baan accepteren, of bijvoorbeeld een straatverbod opgelegd krijgen.
  • Er moeten wijkrechters komen die beter zicht hebben op de jongeren. Deze wijkrechters kunnen de zaken in één buurt afhandelen, van leerplicht tot diefstal Ook moeten jongere criminelen die keer op keer de fout in gaan een wijkverbod kunnen krijgen.
  • Ouders moeten verplicht op de rechtszitting van hun kinderen verschijnen, zodat ze beseffen wat hun kind heeft gedaan.
  • Kinderen onder de 12 jaar vallen niet onder het strafrecht, daarom moeten de ouders verplicht worden om zorg of opvoedingsondersteuning te accepteren.
  • Als je je goed gedraagt moet je sneller je verklaring van goed gedrag kunnen krijgen. Dan kan je weer aan het werk komen. De beste manier om op het rechte pad te blijven.
  • Jongeren moeten zichtbaar in hun eigen wijk hun straf uitvoeren en bijvoorbeeld herstellen wat ze kapot hebben gemaakt.

VVD

  • Jonge criminelen moeten sneller en zwaarder worden gestraft. Deze jongeren mogen pas weer terugkeren als zij hun straf hebben uitgezeten.
  • De VVD vind het erg belangrijk dat jonge criminelen snel worden aangepakt en dat er ook preventief werk kan worden gedaan. Zo heeft de VVD zich ingezet  voor straatcoaches om overlastgevende jongeren van straat te halen, meer geld voor cameratoezicht en meer uitkijktijden, gebieds- en samenscholingsverboden, lik-op-stuk aanpak, meer toezichthouders en in elke wijk een gebiedsmanager veiligheid om gevaarlijke plekken aan te pakken.
  • De VVD is voor het oprichten van vliegende brigades. Deze brigades kunnen binnen 24 uur ter plekke zijn om te assisteren bij de aanpak van probleemjongeren.
  • De schade die jongeren maken moet direct verhaald worden op de dader. Hiernaast krijgt de dader ook nog een boete, die bij herhaald gedrag steeds hoger gaat worden. Het moet mogelijk worden om schadevergoeding op ouders te verhalen in het geval van minderjarige daders. Hiervoor wil de VVD een aanpassing van de bestaande wet.
  • De VVD is voor heropvoeden van probleemjongeren in een internaat of campus.


SP

  • De structurele overlast van jongeren in moeilijke buurten is het gevolg van falend toezicht en bescherming van buurten, van verwaarlozing van buurten en voorzieningen, van een falende integratie en segregatie, van hoge werkeloosheid, armoede en uitzichtloosheid, van tekortschietend onderwijs en tekortschietende opvoeding. Om het tij te keren zal op al die fronten de aanval moeten worden ingezet.
  • De SP is voor het invoeren van het ASO-bevel. ASO staat voor Aanpak Structurele Overlast. Mensen die zich misdragen op een manier die strafrechtelijk moeilijk is aan te pakken (intimideren, schelden, spugen, herrie maken, treiteren) krijgen een ASO-bevel. Gaan ze nogmaals over de schreef, wordt behalve de reguliere boete een zwaardere maatregel opgelegd. Dat kan dan zijn: verplichte opvoedingsondersteuning, ondertoezichtstelling of strafrechtelijke vervolging.
  • Buurten hebben recht op rust, ernstige overlast moet worden bestreden. Buurtbewoners moeten over straat kunnen zonder beledigingen en intimidatie. Criminaliteit moet altijd worden aangepakt. Maar repressie alleen is niet goed. Er moeten voldoende jongerenwerkers worden aangesteld en voorzieningen in de buurt worden gecreëerd voor jongeren, zoals buurthuizen.
  • De SP is tegen de invoering van een minimumstraf. Bij een systeem van minimumstraffen zou de rechter, onafhankelijk van de omstandigheden, de dader van een strafbaar feit tot een minimale straf moeten veroordelen. De rechter levert maatwerk en legt een straf op die past bij de ernst van het feit en geschikt is voor die persoon. Dat zou niet meer mogelijk zijn als je de rechter in het keurslijf van de minimumstraf perst.
  • De SP wil sluiting van Glen Mills. Op de Glen Mills School zitten ruim honderd criminele jongeren. De aanpak in de inrichting is naar Amerikaans voorbeeld en is bedoeld voor jongens vanaf 14 jaar die delinquent gedrag vertonen in groepsverband. De tucht en de groepsdiscipline in dit heropvoedingskamp werken volgens de SP averechts.

 

THEMA 10: Verplichte opvoedsondersteuning (slot)

Tot slot van deze serie een zeer opvallende vaststelling:

Zonder enige uitzondering staat bij alle partijen te lezen dat de overheid achter de voordeur moet kunnen ingrijpen indien de ouders niet uit eigen beweging bereid zijn om professionele opvoedhulp te aanvaarden. De argumenten gaan doorgaans twee kanten op: de samenleving moet worden beschermd tegen kinderen uit probleemgezinnen, en de kinderen zelf verdienen beter om later mee te kunnen in de samenleving. Een greep uit de partijprogramma’s:

D66: ‘Te vaak constateert Bureau Jeugdzorg dat ouders opvoedingsondersteuning nodig hebben om de kinderen voldoende goed te kunnen helpen. Deze opvoedingsondersteuning wordt verplicht gesteld.’

VVD: 'Als de ouders het belang van het kind schaden, dan kan de overheid ingrijpen.' 

GL: ‘Ouders spelen een belangrijke rol. GroenLinks vindt dat zij moeten worden aangesproken wanneer zij hun verantwoordelijkheid niet nemen. Desnoods met gedwongen opvoedondersteuning’

CDA ‘Als de ouders [daarbij] geen hulp accepteren om de problemen op te lossen, dan wil het CDA meer verplichtende maatregelen inzetten. Via verplichte opvoedingsondersteuning kan preventief worden opgetreden tegen problemen bij jongeren.’

 

* Een korte toelichting van de redactie: 

Het inperken van de vrijheid van opvoedonbekwame ouders is daarmee een van de meest centrale pedagogische beleidspunten geworden. De eensgezindheid op dit punt–van rechts over links- is nieuw en onuitgegeven in de Nederlandse geschiedenis. Een liberaal grondprincipe beschermde voorheen nog het individu tegen bemoeienis door de staat. Een socialistisch principe zag emancipatie van gezinnen als het hoogste goed. En de christenen hebben altijd hun religieuze autonomie in de strijd geworpen als bescherming tegen verregaand staatsingrijpen. Geen van deze drie principes heeft blijkbaar in het domein van de gezinspedagogiek kunnen standhouden.

Kortom, de vraag of gedwongen ingrijpen in de opvoeding wel gewenst is, wordt door onze beleidsmakers niet meer gesteld. De discussie gaat over wanneer en onder welke voorwaarden dit ingrijpen moet plaatsvinden. Dat het op aanzienlijke schaal moet worden ingezet om incompetente ouders op het rechte pad te helpen, daar is iedereen het anno 2010 over eens.

Of niet? 

 

Discussieer nu mee: PIP-pedagogiek.nu groep op Linked In.