Pedagogiek
in praktijk

Toen Trudy Dehue op 27 februari 2017 in de Volkskrant met haar vernietigende kritiek op het Nijmeegse Enigma-project kwam, dacht ik: ‘Zal het dan nu eindelijk een keer afgelopen zijn met al dat hersengeklets?’ ‘ADHD op vijf plekken in de hersenen zichtbaar’ was de kop van het persbericht waarin de Radboud Universiteit de uitkomsten van het omvangrijke metaonderzoek naar buiten had gebracht. In de dagbladen verschenen berichten met koppen als ‘Kinderen met ADHD hebben kleinere hersenen’.
Aanleiding voor het dissertatieonderzoek waaraan Ellen Allewijn in 2005 begon, was de ervaring dat in antwoord op de vraag ‘Wie voedt de kinderen op?’ ouders steevast naar zichzelf wezen, ook als hun kinderen hele dagen op het kinderdagverblijf verbleven. Feitelijk verzetten pedagogisch medewerkers vanzelfsprekend wel degelijk bergen pedagogisch werk.
Toen ik het artikel ‘Narcisme en onzekerheid te wijten aan opvoeding’ van de Nijmeegse klinisch psycholoog Jan Derksen (de Volkskrant, 28 december 2016) had gelezen, werd ik overvallen door een beklemmend gevoel van gebrek aan urgentie. Derksen bestookt de media nu alweer jaren met het verhaal dat we in de afgelopen 35 jaar aantoonbaar narcistischer geworden zijn als gevolg van wat hij gewijzigde vroegkinderlijke condities noemt.
Op DUB, het digitale periodiek van de Utrechtse Universiteit, stond op 19 oktober een peiling over een verschijnsel dat inmiddels zo’n tien jaar bestaat en waar we waarschijnlijk niet meer van afkomen: applaus na colleges. Auteur Xander Bronkhorst bevroeg het DUB-panel, bestaande uit 41 docenten en studenten, erover en er blijkt flink wat te worden afgeklapt aan de UU. Vooral bij grote colleges van beginnende bachelor-studenten schijnt het de gewoonste zaak van de wereld te zijn. Later in de studie wordt het minder, al is het beeld niet eenduidig. Bij sommige opleidingen wordt meer geklapt dan bij andere; sommige docenten lokken applaus uit, andere niet.
De koppen boven de nieuwsberichten over het OESO-rapport over het Nederlandse onderwijs van begin dit jaar waren niet eensluidend. Ze varieerden van ‘Nederlands onderwijs scoort zeer goed’ en ‘Nederlands onderwijs behoort tot de wereldtop’ tot ‘Nederlands onderwijs is goed, maar niet uitstekend’ en ‘Nederlandse scholier ongemotiveerd, geen orde in de klas, veel talent onbenut’. Nu kun je in een kop niet alles kwijt en daarom scheppen koppenmakers er een genoegen in om accenten te leggen. Maar als het goed is, geven de artikelen eronder de inhoud van het rapport wel correct weer.
De conclusies aan het einde van zijn reis door vijftig jaar onderwijs vind ik nogal slap. Veel meesters en juffen – jong en oud, gepensioneerd of net afgestudeerd – zijn het volgens Mark van der Werf roerend eens: zij hebben zo’n mooi vak, daar kan geen carrière als straaljagerpiloot, topvoetballer of filmster aan tippen.
Ineens was de discussie terug. Aanleiding was de presentatie op 13 april van het jaarverslag van de inspectie 'De staat van het onderwijs'. Het ging om uitkomsten van een cohortstudie waarin leerlingen werden gevolgd vanaf 1999, bij de start in het voortgezet onderwijs, tot en met 2013. In 1999 stroomden leerlingen van laagopgeleide ouders vaker in op het vmbo. Gemeten naar de hoogst behaalde opleiding, bleken de verschillen in 2013 niet kleiner te zijn geworden.
Een jaarlijkse retraite met twee goede vrienden was lang een mooie traditie. We deden ons te goed aan wat streek of stad te bieden had, maar bekeken ook nauwgezet hoe we er zelf voorstonden. Durfden we te beweren dat we tevreden waren met het leven zoals we het leefden, of konden we niet om de conclusie heen dat we echt aan een nieuwe uitdaging toe waren? In de loop van de jaren negentig is het misgegaan. Ik werkte al jaren aan de Utrechtse universiteit, wat voor mij een grote vrijheid in het opzetten en uitvoeren van onderwijs en onderzoek betekende. Mijn vrienden vonden echter dat ik daar een beetje zat te verpieteren en zegden mij de wacht aan. Zelf hadden ze al jaren hun eigen bedrijf. Consultancy en interim-management leverden niet alleen meer vrijheid, maar ook meer inkomen. Hun dringende raad heb ik niet opgevolgd.
Hierbij kom ik mijn belofte na die ik veertien maanden geleden in PiP 82 heb gedaan, nadat staatssecretaris Dekker zijn project #Onderwijs2032 had aangekondigd. Ik zag niet veel in de brede maatschappelijke discussie over een toekomstbestendige vorm en inhoud van ons funderende onderwijs. Toch heb ik hem – mij is niet bekend of de bewindsman ervan onder de indruk was – het voordeel van de twijfel gegeven. Voor eind vorig jaar werd ons een breed gedragen visie over de doelen in het vooruitzicht gesteld. In oktober al kwam het platform onder leiding Paul Schnabel met het advies op hoofdlijnen. Op 23 januari jl. is het eindadvies gepresenteerd en is het door de staatssecretaris met zijn reactie naar de Tweede Kamer gestuurd.
De politiek kan er niet meer omheen. Onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam hebben vijftien jaar VVE-onderzoek op een rij gezet en concluderen nu wat iedereen al veel langer had horen te weten: de voorschool heeft geen effect. Als het om het bestrijden van achterstanden gaat, moet de financiering van VVE-programma’s worden gestaakt. Aan dat op zichzelf nobele streven zijn op deze manier inmiddels miljarden aan overheidsgeld verspild. Het komt er nu op aan het debat eindelijk op een goede manier te voeren. De voortekenen voor een goed debat zijn echter niet onverdeeld gunstig.
‘Gedeeltelijk teruggedraaide achteruitgang’, zo noemde NRC-Handelsblad in zijn hoofdredactioneel commentaar de door het kabinet voor Prinsjesdag gelekte verhoging van de kinderopvangtoeslag voor ouders. Daarmee was het zwalkende kinderopvangbeleid van opeenvolgende regeringen raak getypeerd. Onder het laatste kabinet Balkenende, dat de kinderopvang vooral als arbeidsmarktinstrument zag, was de toeslag drastisch verhoogd en waren de kosten vervolgens volkomen uit de hand gelopen. Die kosten stegen grofweg van 1 miljard in 2006 naar 3 miljard in 2009. Door Rutte I werd er daarom in 2010 weer drastisch bezuinigd, zonder dat dat overigens al te grote gevolgen had voor de arbeidsparticipatie van vrouwen. Voor de kinderopvanginstellingen waren de gevolgen wel desastreus. Het mag een wonder heten dat de sector opvang van hoge kwaliteit kon blijven leveren.
Lang heb ik de fundamentele omslag begin jaren zeventig gesitueerd. Met het operationeel worden van de pil was de omvang van de Nederlandse gezinnen razendsnel tot de standaard van twee kinderen gekrompen. Als ouder op verjaardagen en partijen verantwoording moeten afleggen voor de schoolprestaties van je kroost was voor die tijd eigenlijk nooit een probleem geweest. Tussen de grotere kindertallen liepen er nu eenmaal altijd een paar rond die minder goed komen meekomen. Die hoorden er gewoon bij. Maar als je er maar twee had, en je moest bekennen dat die er weinig van bakten, werd je toch meewarig aangekeken. Nu er zoveel tijd beschikbaar was, moest het kind wel tot project worden.
In de afgelopen jaren zijn ze in alle mogelijk varianten voorbijgekomen: de leveranciers van alternatieven voor hyperparenting. Ze hadden gemeen dat ze een rigoureus herstel van autoritaire verhoudingen predikten inclusief een overenthousiaste rehabilitatie van de harde hand. Dat gold voor de Chinees-Amerikaanse Amy Chua met haar boek Battle Hymn of the Tiger Mother in 2011 en voor de Frans-Amerikaanse Pamela Druckerman met haar boek Bringing up Bébé in 2012. Dat geldt ook voor columnist Sheila Sitalsing, die zich in 2015 aansluit bij het pleidooi van de Surinaamse cabaretier Roué Verveer in diens boek Waarom? Daarom!
Regelmatig pieker ik me suf om me een puzzeltje te herinneren dat ik lang geleden in een boekje met allerlei wiskundige vraagstukjes tegenkwam. Ik weet nog dat het over een schatrijke oosterse prins ging, die een groot aantal bijzondere diamanten bezat en doodsbenauwd was dat boeven er met zijn schat vandoor zouden gaan. Zijn raadsheer was zo goed geweest om hem een manier aan de hand te doen om snel te kunnen controleren of hij al zijn diamanten nog had. Hij hoefde ze niet stuk voor stuk na te tellen – dat zou heel veel tijd gekost hebben – maar één blik aan de bovenkant van de kist volstond om te checken of ze er nog allemaal inzaten. De opdracht aan de lezer was om te achterhalen welke truc de sluwe raadsheer had bedacht om de prins bij zijn dagelijkse controle te laten denken dat er niets miste, terwijl in werkelijkheid een flink deel van de diamanten in de zakken van de raadsheer verdween.
Al jaren voer ik een verbeten strijd tegen de amerikanisering van emoties. Tegen de sportverslaggever, die altijd maar wil weten wat er door de kampioen heenging en ons daardoor opzadelt met onbeholpen antwoorden. Tegen de talkshowhost, die eigenlijk alleen als geslaagd geldt als hij zijn gast aan het janken heeft weten te krijgen. Vóór de burgemeester, die gewoon zegt dat het zijn werk is, als hem gevraagd wordt of hij het moeilijk vond om die toespraak aan het begin van die stille tocht te houden. Vóór een opvoeding, waarin we kinderen leren zich groot te houden en het niet onmiddellijk op een blèren te zetten als ze op hun knie vallen. Vóór een nieuwe editie van de Dikke van Dale waarin het woord ‘wow’ niet meer voorkomt.
Wat mijn leven als pedagoog zo lastig maakt, is dat iedereen verstand van opvoeding heeft. Iedereen heeft op school gezeten en iedereen heeft wel een nichtje of neefje met ADHD. Daarom is mijn bijzondere deskundigheid als pedagoog een stuk minder vanzelfsprekend dan die van andere academici. In mijn zwakke momenten denk ik wel eens: was ik maar psycholoog of kernfysicus, daar nemen leken meestal nog wel iets van aan. Omdat pedagogiek bij uitstek een discursief vak is, ben je als pedagogisch deskundige per definitie tot discussie veroordeeld. Als je dat niet bevalt, moet je een ander vak kiezen.
Eind jaren zestig van de vorige eeuw ging er een mop rond. Het verhaal van de mop bood een heldere blik in de niet al te verre toekomst van toen. Het verhaal ging zo. ‘Op een vakbondsvergadering in het jaar 2000 ligt een belangrijk besluit voor. De automatisering heeft de mens inmiddels zoveel werk uit handen genomen dat er nog maar één dag in de week gewerkt zal hoeven worden. Na lang intern beraad stelt het vakbondsbestuur voor om daarvoor de woensdag aan te wijzen. Op het moment dat de voorzitter het voorstel in stemming wil brengen klinkt er geroezemoes van achter uit de volgepakte zaal. Er is iemand opgestaan die nog iets wil vragen. De man loopt naar de microfoon en roept: “Ik begrijp het voorstel toch wel goed? U bedoelt toch niet de hele woensdag?”’
En daar was ’ie plotseling weer, de discussie over de pedagogische tik. Gelukkig niet naar aanleiding van een preek van een orthodoxe dominee, die openlijk zijn eigen hardhandige opvoedingsgedrag op grond van een Bijbeltekst verdedigde, zoals vijf jaar geleden. Nu vormde een stevig onderbouwde opiniebijdrage in het tijdschrift Medisch Contact van 12 juni jongstleden onder de titel ‘Pedagogische tik niet per se slecht’ de aanleiding. Na de opname van het verbod op de pedagogische tik in het Burgerlijk Wetboek in 2007 was het verder betrekkelijk rustig geweest rond het door velen gewraakte opvoedingsmiddel.
Er zijn nogal wat adviesorganen die jaarlijks rapporteren. Voor de onderwijsinspectie geldt dat zij ook in haar jaarverslag 2012-2013 weer een aantal accenten legt, waarmee ze de gewone burger weet te bereiken. Dit jaar leverde het gegeven dat de Nederlandse leerling nagenoeg de minst gemotiveerde van de wereld is een zeer levendige discussie op. Alle landelijke dagbladen besteedden er meerdere pagina’s aan en de deskundigen, de ouders en de leerlingen rolden over elkaar heen. De opvatting dat er aan de kwaliteit van de cijfers getwijfeld moet worden ben ik het minst tegengekomen, maar er waren commentatoren die op die manier de lage score toch in één klap weer in een hoge wisten om te zetten. Vooral voor leerlingen in het voortgezet onderwijs gaat in Nederland de grootste interesse niet in de eerste plaats uit naar wat er op school te leren valt. Dat is overal zo, maar de Nederlandse tieners komen daar nu eenmaal het eerlijkst voor uit en weigeren sociaal wenselijke antwoorden te geven. Dus als het om eerlijkheid gaat, blinken ze juist weer uit, die Nederlandse leerlingen. Niet slecht gevonden vind ik
In de politiek is de roep om meer onderzoek nogal eens verdacht. Vaak is het voor een parlementariër zelfs de manier bij uitstek om een voorstel van de regering dat hem niet bevalt op de lange baan te schuiven. Toch, wanneer onderwijsminister Bussemaker straks met haar reactie op het adviesrapport Flexibel onderwijs voor volwassenen komt, zal het mij een lief ding waard zijn als een meerderheid van de Tweede Kamer op gericht extra onderzoek zal aandringen. Het rapport schiet wat onderbouwing betreft duidelijk tekort.
Op 14 oktober jl. hield minister-president Rutte de Drees-lezing Sterke mensen, sterk land. Over het bezielend verband in de samenleving. Daarin gaf hij meer inhoud aan zijn visie op de toekomstige samenleving dan hij op 2 september in de Schoo-lezing Nederland bij de tijd brengen: verandering én zekerheid had gedaan. Toen had hij zich conform zijn liberale opvattingen uitdrukkelijk wars van elke vorm van een blauwdruk getoond. Nu werkte hij het idee van de participatiesamenleving nader uit, dat hij bij het samenstellen van de troonrede de nieuwe koning in de mond had gelegd en dat in de publieke discussie zoveel reacties had opgeroepen.
Eind augustus las ik in een advertentie in een landelijk dagblad dat drs. Hanni van der Sluijs, oud-lerares Frans van het Utrechts Stedelijk Gymnasium, op 81-jarige leeftijd was overleden. Uit het korte bijschrift maak ik op dat haar levenseinde in mist gehuld is geweest. Mij staat juffrouw Van der Sluijs nog altijd helder voor de geest.
Als het om het aantal bijzondere verzoeken gaat voel ik mij de gelukkigste pedagoog van Nederland. Zo werd mij bijvoorbeeld begin dit jaar gevraagd een bijdrage te leveren aan De nacht van de Krakeling. In het kader van het vijftigjarig bestaan van het Amsterdamse Jeugdtheater was op 28 maart een manifestatie voorzien die tot het ochtendgloren zou duren. De aanleiding van het verzoek betrof de door theatermaakster Liesbeth Colthof ervaren groeiende terughoudendheid bij ouders.
Omdat we maar beperkte ruimte hebben, bespreken we in PiP eigenlijk alleen boeken die we willen aanprijzen. Dat betekent niet dat in onze rubriek ‘Warm aanbevolen’ de kritische kanttekeningen ontbreken, maar wel dat we de daar gerecenseerde boeken het lezen waard achten. Het komt dus zelden voor dat we aandacht besteden aan boeken waarvoor we willen waarschuwen.
Wetenschappelijke vooruitgang zorgt in het algemeen niet voor oplossingen van ethische problemen, maar creëert ze meestal. In de medische wetenschap zijn daarvan voorbeelden te over. Hoe nauwkeuriger we de ontwikkeling van de ongeboren vrucht kunnen volgen, hoe groter het aantal beslismomenten waarmee we worden opgezadeld om eventuele toekomstige afwijkingen te voorkomen.
In het interview met Trouw-journaliste Iris Pronk in PiP 71 wordt mijn vermoeden bevestigd dat de trend van een nieuwe generatie ouders om strenger te willen zijn in de opvoeding is ingegeven door de groeiende drukte van de moderne tweeverdiener.
Begin jaren negentig werd ik gebeld door mijn nu 95-jarige moeder. Of ik naar de televisie zat te kijken. Het was de allereerste keer dat er op de Nederlandse televisie uitgebreid aandacht aan pesten werd besteed. Bij mij stond de televisie op dezelfde zender, maar ik had niet in de gaten dat het programma ook over mij ging.
Ruim twee jaar geleden heb ik omstandig gewaarschuwd voor de hersenhype. Het ging me daarbij vooral om de al te snelle conclusies voor opvoeding en onderwijs die men alom uit de overigens zeer interessante ontwikkelingen in de neurowetenschappen meende te kunnen trekken. De Leidse hoogleraar neurocognitieve ontwikkelingspsychologie Eveline Crone vertrouwde me toen overigens toe, dat ze die zorg met mij deelde. Ik mocht van haar aan de hele wereld vertellen dat zij zelf ook voor de hersenhype in het onderwijs waarschuwde. Ondertussen had haar bestseller Het puberende brein die hype wel mede veroorzaakt.
Is het niet merkwaardig dat we met de Tweede Kamerverkiezingen voor de deur en zoveel noodzaak tot bezuinigen nauwelijks enig idee hebben hoeveel miljard euro de opheffing van de verzuiling op religieuze grondslag in het onderwijs de staatskas zou kunnen opleveren?
'Ik ga je leven veranderen', schreeuwt professor Walter Lewin tegen Matthijs van Nieuwkerk en zijn merkwaardig trillende hoofd komt gevaarlijk dicht in de buurt van dat van de televisiepresentator. Lewin is voor de tweede keer op bezoek in De Wereld Draait Door, nu om zijn nieuwe boek Gek op natuurkunde aan te prijzen.
Verwende kinderen zijn vervelende kinderen. Het is niet plezierig om ze in de buurt te hebben. Ze dragen hun ontevredenheid actief uit en het is eigenlijk onbegonnen werk om ze in een aangenamere stemming te brengen. Ja, als je ze hun zin maar geeft, dan is het weer goed. Voor even dan. Want ongenoeglijkheid is hun basishouding. En ze weten dat hun ouders uiteindelijk weer zullen toegeven. Dus ze zeuren door, denken alleen aan zichzelf en zijn niet van plan om met wie dan ook rekening te houden.
Het Sociaal Cultureel Planbureau stelde begin januari vast dat de Nederlandse belastingbetaler met zijn investeringen in het basisonderwijs geen waar voor zijn geld krijgt. Het basisonderwijs ontvangt 3,8% meer belastinggeld per jaar, dat is 75% meer belastinggeld over de afgelopen vijftien jaar (alles gecorrigeerd voor inflatie), maar het wordt er naar het oordeel van de onderzoekers beslist niet beter op. Door meer leerkrachten aan te stellen werd tussen 2003 en 2007 bereikt dat de klassen kleiner werden. Maar dat heeft volgens het SCP niet geleid tot verbetering van de leerresultaten.
Eind november stuurde kinderombudsman Marc Dullaert een brandbrief naar de Tweede Kamer over de falende aanpak van kindermishandeling. Hij baseert zijn advies op twee rapporten die zijn opgesteld door een dertigtal organisaties.