Eind november stuurde kinderombudsman Marc Dullaert een brandbrief naar de Tweede Kamer over de falende aanpak van kindermishandeling. Hij baseert zijn advies op twee rapporten die zijn opgesteld door een dertigtal organisaties.
De wenselijkheid van voor- en vroegschoolse educatie staat in ons land al heel lang ter discussie. Het debat tussen voor- en tegenstanders duurt voort. Wat zou het mooi zijn als een wetenschappelijk onderzoek nu eindelijk eens uitsluitsel zou kunnen geven. Maar dat zit er voorlopig niet in. Voor de effectiviteit van vve op langere termijn bestaat geen sluitend wetenschappelijk bewijs en daar is ook geen zicht op. De inrichting van het beslissende experiment stuit op allerlei praktische bezwaren. Ook het debat, dat Prof. Sieneke Goorhuis-Brouwer en lector Cathy van Tuijl in deze PiP aangaan, leidt niet tot eenstemmigheid. De discussie brengt veel nieuwe feiten aan het licht. De belangrijke argumenten staan op een rij. Maar de lezer zal zelf zijn positie moeten bepalen.
Bij een nadere beschouwing van de nieuwste loot aan de stam van de onderwijsvernieuwing, 'Opbrengstgericht werken', moest ik onmiddellijk denken aan het enthousiasme waarmee zo'n dertig jaar geleden de op handen zijnde invoering van het basisonderwijs gepaard ging. Er zou een einde komen aan de situatie waarin de onderwijzer als koning in zijn klas opereerde. Het onderwijs op de basisschool zou een teamaangelegenheid worden, de tussendeuren zouden opengaan, het hele curriculum moest een gezamenlijke verantwoordelijkheid worden. Als je ziet met welke overtuigingskracht die cultuuromslag nu gekoppeld wordt aan 'Opbrengstgericht werken' vraag je je werkelijk af wat er in de afgelopen decennia met die uitgangspunten van het basisonderwijs is gebeurd is.
De publicatie heeft eigenlijk nauwelijks stof doen opwaaien. Toch bevat het RMO-rapport 'Nieuwe ronden nieuwe kansen. Sociale stijging en daling in perspectief' een bijzondere boodschap.
Op gezette tijden verschijnen er boeken over opvoeding die meer dan gewone beroering wekken. Vaak gaat het dan om niet oorspronkelijk Nederlands werk, maar om vertalingen en is de reden van de commotie gemakkelijk gevonden. De ideeën staan zo haaks op wat bij ons gebruikelijk is dat het uitblijven van heftige reacties pas bijzonder zou zijn geweest.
In PIP-58 bespreekt Peter vander Doef het oeuvre van J.F.W.Kok. Het lijkt me van groot belang dat zijn inzichten het vakgebied blijven beïnvloeden. Of dit zo zal zijn, hangt onder meer samen met de algemene kwestie die in het artikel wordt benoemd. Daarbij gaat het om het kernpunt dat Kok’s vraagstellingsbegrip past in een interpretatief kader en geen ‘objectieve aangelegenheid’ is. Mijns inziens moet het gesprek hierover steeds grondig gevoerd blijven worden.
Ingezonden brief, Volkskrant 27 12 2010 n.a.v. Kader Abdollah
Auteur: Lauk Woltring
Kaat Schaubroeck kraakt in het oktobernummer 2010 kritische noten over de opvoedingsondersteuning en in het bijzonder over het Triple P programma. Ik reageer hierop als senior adviseur en trainer Triple P bij het Nederlands Jeugdinstituut. Vanuit mijn functie ben ik goed op de hoogte van de inhoud en opzet van het Triple P programma en ontwikkelingen binnen het veld van opvoedingsondersteuning.
Auteur: Krista Okma
