
Uit de eerste resultaten blijkt dat er in het onderwijsachterstandenbeleid wel aandacht is voor de beleidsterreinen, zoals jeugd en het sociaal domein. Andersom wordt in deze beleidsterreinen echter niet gerefereerd aan het onderwijsachterstandenbeleid. Voor- en vroegschoolse educatie komt juist weer wel terug in het beleid van de aanpalende terreinen.
Verder vindt de inspectie dat gemeenten ‘zich kunnen verbeteren’ in het beleid ten aanzien van kinderopvang. Het door gemeenten ingestuurde beleid beperkte zich tot de praktische uitwerking van wet- en regelgeving, dus het beleid rond toezicht en handhaving, maar de inspectie heeft geen beleidsdocumenten aangetroffen waarin gemeenten de kwaliteitsdoelen van kinderopvang beschrijven.
Concluderend ziet de inspectie verschillen in de samenhang van het beleid van gemeenten. Gezien de beleidsvrijheid van gemeenten liggen die verschillen ook voor de hand. Toch is het belangrijk dat gemeenten zich bewust zijn van hun keuzes. Ook is het belangrijk dat gemeenten zich de vraag stellen of zij bij de keuze om het beleid niet in samenhang te beschrijven wellicht onderwerpen over het hoofd zien of onvoldoende uitwerken. Daarnaast ziet de inspectie dat gemeenten onderwerpen met concrete eisen in de wet ook concreter uitwerken in hun beleidsdocumenten.
De inspectie concludeerde al in een eerder rapport dat gemeenten behoefte hebben aan meer concreetheid in de wet en vraagt daar aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) opnieuw aandacht voor. Tot slot zijn concrete en meetbare doelen beperkt beschreven. Aangezien duidelijke doelen en een goed evaluatieplan essentieel zijn om te bepalen of gemeenten op de goede weg zijn en hun doelen behalen, vindt de inspectie het belangrijk om gemeenten hierin te stimuleren.








