Mediawijs van beleid naar praktijk
De afgelopen decennia is er veel veranderd op het gebied van media. De ontwikkelingen gaan razendsnel en naast de 'oude vertrouwde' media staan er telkens weer meer 'nieuwe' media tot onze beschikking. Ook het gebruik van media is in de loop der tijd veranderd. Gebruikers zijn niet alleen consument, maar worden steeds meer zelf producent. Wat betekent dit en hoe gaan we hier als samenleving mee om? Wat vereist dit voor de opvoeding van kinderen en welke rol heeft de leerkracht of de pedagogisch medewerker hierbij, naast de ouders?
Denise Bontje
Bij mediawijsheid gaat het erom dat mensen zich staande moeten kunnen houden in een gemedialiseerde samenleving. Daarbij zijn kennis en vaardigheden nodig, maar gaat het ook om een mentaliteit ten aanzien van media. De nieuwe definitie gaat dus verder dan de eerder gehanteerde mediawijsheid (het aanleren van vaardigheden om verschillende media te kunnen begrijpen en gebruiken). Het sluit aan bij de ontwikkelingen binnen de media en het gebruik ervan. Met mediagebruik wordt bedoeld het gebruik van media voor informatie, cultuur, amusement en communicatie als consument en producent. Voorheen was je als kijker afhankelijk van wat programmamakers voor televisie bedachten, nu kan iedereen met een telefoontje een filmpje maken en verspreiden via You Tube. Gebruikers moeten zich bewust zijn van mogelijke negatieve effecten bij verkeerd gebruik en dus een kritische houding hebben.
Landelijke kaders
De overheid wil dat kinderen en jongeren opgroeien tot mediawijze volwassenen. Binnen de verschillende ministeries is dan ook beleid ontwikkeld met betrekking tot media en mediawijsheid. Het doel van het mediabeleid is enerzijds het bevorderen van veilig en verantwoord mediagebruik en anderzijds het bevorderen van een veilig media-aanbod.
Het beleid van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) richt zich vooral op het 'mediawijs' maken van kinderen en jongeren, maar ook hun ouders en leerkrachten. Concreet betekent dit, dat zij aansturen op het beter aanbieden en benutten van kennis en informatie over jeugd en media onder de noemer 'mediawijsheid'. Daarnaast is het beleid van OCW erop gericht minderjarigen zoveel mogelijk te beschermen tegen voor hen schadelijke audiovisuele producties.
Het beleid van OCW sluit aan op het beleid van andere ministeries ten aanzien van media, zoals de campagne Digivaardig&Digibewust (Ministerie van Economische Zaken) en het beleid van het ministerie van Justitie (onder andere het bestrijden van internetfraude en haatzaaien). Tot slot heeft de overheid middels regelgeving zoals de Mediawet (2008), het mediabesluit (2008) en de mediaregeling (2008) ervoor gezorgd dat 'de media' op een geordende manier hun diensten aanbieden. In deze regelingen is onder meer bepaald dat minderjarigen niet geschaad mogen worden door informatie die zij in de media kunnen tegenkomen.
Met dit beleid wil de overheid, binnen de mogelijkheid die zij heeft, voorwaarden scheppen voor burgers om op een goede manier met de media te kunnen omgaan. Je kunt je echter afvragen in hoeverre rijksbeleid daar ook echt voor gaat zorgen. De media-aanbieders (denk aan programmamakers) zijn verantwoordelijk voor het aanbod van media (televisieprogramma's, games, et cetera) en de overheid kan slechts in beperkte mate regels verbinden aan het media-aanbod.
Daarnaast kan meerjarig beleid moeilijk inspelen op ontwikkelingen. Door het tempo waarin media zich ontwikkelen, is het vooral aan ouders en professionals die werken met (jonge) kinderen om concrete afspraken te maken rondom mediaopvoeding. De verantwoordelijkheid voor de mediaopvoeding zelf (vooral het begeleiden van kinderen in het omgaan met media) ligt in de eerste plaats bij de ouders. De begeleiding door ouders bepaalt in hoge mate de effecten van media. Ook speelt het onderwijs volgens de overheid nog altijd een grote rol bij het bevorderen van de mediawijsheid van de toekomstige burgers en bij mediaopvoeding. Het is echter opvallend dat niet of nauwelijks wordt gesproken over de kinderopvang. Pedagogisch medewerkers zijn, naast de ouders, voor een groot deel toch medeverantwoordelijk voor de opvoeding van (jonge) kinderen. Ook zij zullen het goede voorbeeld moeten geven en zich samen met ouders moeten buigen over de mediaopvoeding en de vraag of, en zo ja, hoe media worden ingezet en welke afspraken er worden gemaakt over het gebruik van media door kinderen.
Landelijk beleid als stimulans
Uit onderzoek van Mediawijzer.net naar mediawijsheid in gezinnen anno 2010 (Van der Linden en De Bruin, 2010) blijkt dat kinderen wel over mediakennis en vaardigheden beschikken, maar zich niet bewust zijn van de rol en invloed van media (mediabewustzijn). Ouders daarentegen zijn minder vaardig, maar beschikken wel over een mediabewustzijn. Kinderen ontpoppen zich als natuurlijke gebruikers en uit onderzoek van Mijn kind Online (2011) blijkt dat zelfs de allerjongsten eenvoudig met de digitale media overweg kunnen. Om mediawijze burgers te worden, zullen zij goed moeten worden begeleid door ouders en professionele opvoeders.
In de praktijk blijkt echter maar al te vaak dat niet alle ouders, leerkrachten en pedagogisch medewerkers altijd in staat zijn de kinderen adequaat te begeleiden. Ze beschikken over onvoldoende kennis en vaardigheden en lopen achter de feiten aan doordat de media zich zo snel ontwikkelen. In het ergste geval worden uit angst of onwetendheid media uit de klas of het kinderdagverblijf geweerd, of worden alleen afspraken gemaakt in beperkende zin: bijvoorbeeld over de tijd waarin een kind televisie mag kijken of achter de computer mag. Dit is slechts één vorm van begeleiding. Het gaat ook om de vraag hoe en wanneer je media gebruikt in de klas of op de groep en hoe je kinderen actief begeleid als zij media gebruiken.
Een vertaling van landelijke kaders naar afspraken op schoolniveau, op het kinderdagverblijf en thuis, is dus nodig en het landelijk beleid moet vooral gezien worden als stimulans voor het vormen van een eigen visie op media en mediaopvoeding. Daarvoor is het nodig dat leerkrachten, pedagogisch medewerkers en ouders in elk geval op de hoogte zijn van wat er allemaal is en dat je kinderen leert hoe je hier op een verantwoorde manier mee omgaat. Laat zien hoe media een rijke bron van informatie kunnen zijn (bedenk bijvoorbeeld samen een vraag en ga samen op internet op zoek naar het juiste antwoord) en laat zien dat niet alles wat op internet staat waar hoeft te zijn. Hoewel het ook de taak is om kinderen te beschermen tegen de negatieve kanten van media, is het vooral verstandig om te laten zien en te bespreken hoe je op een goede manier met bijvoorbeeld social media kan omgaan. Bespreek met kinderen en jongeren wat anderen over jou mogen weten (met andere woorden is het verstandig alles zomaar op internet te gooien), wat doe je met verzoeken van onbekenden, pestgedrag, et cetera. Zorg dat je het bespreekbaar houdt en ga gesprekken hierover niet uit de weg.
Mediawijs op school of het kinderdagverblijf
De focus binnen het onderwijs lag voorheen op de vaardigheden die nodig zijn om met 'nieuwe' media te werken (media-educatie). Nu is er meer aandacht voor de rol van media en mediawijsheid. Naast het aanbieden van een apart vak media(wijsheid), kan bijvoorbeeld ook worden gekozen voor een meer integrale aanpak waarbij mediawijsheid wordt gekoppeld aan burgerschap. Daarmee bereid je kinderen voor op hun rol in de samenleving van de toekomst (online en offline). Ook maken veel scholen afspraken over het gebruik van internet en mobiele telefoons binnen en buiten de les en is er op steeds meer scholen een ICT-coördinator die verstand heeft van de verschillende (technische) aspecten van de apparatuur (digiborden, website, et cetera) en die de laatste ontwikkelingen bijhoudt.
De vraag is in hoeverre er sprake is van een gezamenlijke visie op de inhoud. Met andere woorden: hoe mediawijs is de school als geheel? Het is van belang dat alle leerkrachten zelf mediawijs zijn en er afspraken zijn gemaakt over de inzet van media bij verschillende lessen. Het mediawijs maken van leerlingen mag immers niet afhangen van een individuele leraar en het handelen van de leerkrachten moet ondersteund worden door de directie. Zonder visie geen beleid en dus ook geen structurele oplossing.
Ik pleit voor eenzelfde aanpak binnen de kinderopvang. Het is niet dat verschillende media zomaar moeten worden ingezet binnen de kinderopvang. Echter, het is belangrijk dat ook binnen de kinderopvang (zowel dagopvang als de buitenschoolse opvang) er meer kennis moet zijn over media zodat een bewuste keuze kan worden gemaakt voor het wel of niet inzetten ervan. Dit moet worden opgenomen in de pedagogische visie.
Laat het echter niet bij een visie. Maak concrete afspraken en ondersteun de individuele pedagogisch medewerker/leerkracht bij het uitvoeren van het beleid door goede facilitering (het kinderdagverblijf/de school voorzien van de benodigde apparatuur en verankering van de handelswijze in het beleid) en door middel van inhoudelijke training. Het gebruik van media bij kinderen van verschillende leeftijden, de toegevoegde waarde van media op de ontwikkeling van kinderen en de koppeling aan andere activiteiten zijn onderwerpen die daarbij onder andere aan bod moeten komen. Hetzelfde geldt voor de begeleiding van kinderen bij het zelfstandig gebruiken van media.
Tot slot
Mediabeleid is nodig om als samenleving mediawijs te worden en te blijven. Sla als team, directie en ouders de handen ineen om op school, het kinderdagverblijf en thuis mediawijs het beleid tot uitvoer te brengen. Maak de professional zelf mediavaardig en mediawijs zodat hij of zij een goede afweging kan maken en het goede voorbeeld kan geven. Volg de ontwikkelingen en praat erover met de kinderen.
Geplaatst: 15 februari, 2012
