
Kinderen krijgen gemiddeld 90 minuten bewegingsonderwijs per week, meestal van een vakleerkracht. 90 procent van de scholen heeft een vakleerkracht voor bewegingsonderwijs, in vergelijking met 57 procent zeven jaar geleden. Vaak is er ook samenwerking met buitenschoolse partners, zoals sportverenigingen.
Niet alles komt evenveel aan bod tijdens de les. Bij ‘leren bewegen’ wordt relatief vaak aandacht besteed aan balspellen en springoefeningen. Bewegen op muziek is slechts zelden een lesdoel. Voor ‘bewegen regelen’ geldt dat ‘handelen volgens afgesproken regels’ relatief vaak aan bod komt, terwijl ‘hulpverlenen bij beweegactiviteiten’ bijna geen aandacht krijgt.
Ruim driekwart van de leerlingen sport in clubverband, vaak voetbal, hockey of volleybal. Veel leerlingen doen dat drie keer per week. Ruim een derde van de leerlingen maakt via school gebruik van naschools sportaanbod. Driekwart van de kinderen beweegt ook regelmatig in de buurt of op straat: ze skaten of voetballen bijvoorbeeld.
Tegelijkertijd geeft bijna de helft van de leerlingen aan dat ze drie uur of meer per dag spelletjes spelen op een mobiel, computer of tablet. De helft doet dit een tot twee uur per dag. Dit is toegenomen in vergelijking met de vorige peiling.
Kinderen vinden gymles leuk en belangrijk. Ruim twee derde van de leerlingen heeft het gevoel dat ze de oefeningen die ze moeten doen, ook kunnen. Leerkrachten vinden zichzelf zeer goed op de hoogte van de vakinhoud van het bewegingsonderwijs. In het toepassen van de meest recente inzichten of ontwikkelingen in hun lessen vinden ze zichzelf minder bekwaam. Daarnaast vinden ze een veilig en motiverend leerklimaat heel belangrijk. Klik hier voor meer info.











