Pedagogiek
in praktijk

Over het belang van onderzoek (Redactioneel 78, april 2014)

In de politiek is de roep om meer onderzoek nogal eens verdacht. Vaak is het voor een parlementariƫr zelfs de manier bij uitstek om een voorstel van de regering dat hem niet bevalt op de lange baan te schuiven. Toch, wanneer onderwijsminister Bussemaker straks met haar reactie op het adviesrapport Flexibel onderwijs voor volwassenen komt, zal het mij een lief ding waard zijn als een meerderheid van de Tweede Kamer op gericht extra onderzoek zal aandringen. Het rapport schiet wat onderbouwing betreft duidelijk tekort.

De commissie Rinnooy Kan constateert in het rapport dat overal in Europa steeds meer volwassenen in deeltijd studeren, maar in Nederland juist steeds minder. In de afgelopen tien jaar is het aantal ingeschreven studenten in ons land gehalveerd. De voorstellen die de commissie doet om het studeren in deeltijd aantrekkelijker te maken zijn niet bijster origineel. De studies moeten flexibeler worden zodat studenten op door hen zelf gekozen momenten kunnen studeren. Ruimer gebruik van online-faciliteiten biedt daartoe mogelijkheden. Een opzet met deelcertificaten ligt ook voor de hand. De mogelijkheid om de werkplek van de ‘werkstudent’ op een productieve manier in het opleidingsplan in te zetten wordt al heel vaak benut. De andere opzet van de financiering, waarbij het geld in de vorm van vouchers of beurzen naar de student gaat in plaats van naar de instellingen, is origineel, al past het wel weer in de trend om onderwijsinstellingen door concurrentie tot een aantrekkelijker aanbod te dwingen. Dat de gesubsidieerde instellingen niet enthousiast zouden zijn over dat laatste idee en de niet-gesubsidieerde wel, was voorspelbaar.

Wat ik niet zomaar zonder onderzoek naar de oorzaken van de afname van het aantal deeltijdstudenten zou durven voorspellen is dat de aanbevelingen ook daadwerkelijk effect zullen sorteren. Is de animo bij werkenden om in deeltijd te gaan studeren nog altijd zo groot dat de aanmeldingen zullen binnenstromen zodra de diverse belemmeringen zijn weggenomen? Hoe zwaar weegt het belang dat werkende ouders tegenwoordig naast hun werk aan de participatie in de opvoeding van de kinderen hechten? Studeren naast je werk is hoe dan ook al zwaar. Maar met het verbod op stapelen – het maximeren van het aantal studiejaren tegen regulier collegegeld – is het de overheid zelf die het doorstuderen naast het werk financieel bijzonder onaantrekkelijk heeft gemaakt. Op voorhand mag niet worden uitgesloten dat het Nederlandse onderwijsgebouw vandaag de dag beter voorsorteert dan vijftig jaar geleden en dat zich daardoor veel minder tweedekansers aandienen dan toen.

Wat die tweedekansers betreft vormt de geschiedenis van de deeltijdopleidingen pedagogiek een apart verhaal. De Vereniging tot Bevordering van de Studie tot de Pedagogiek (VBSP) werd in 1925 opgericht en verzorgde eerst de buiten-universitaire mo A- en later ook mo B-opleiding, die respectievelijk een tweedegraads en eerstegraads onderwijsbevoegdheid in de Pedagogiek opleverden. Na de oorlog kwamen daar de specialisaties orthopedagogiek en sociale pedagogiek bij. Vanaf het einde van de jaren zestig namen de studentenaantallen sterk toe. De animo om naast je werk te studeren was in die jaren ongekend. Voor onderwijzers in het lager onderwijs opende een mo-diploma bijvoorbeeld de deur naar een carrière bij een schooladviesdienst. Maar onderwijsminister Van Kemenade had halverwege de jaren zeventig een vernieuwing van de lerarenopleiding op het oog en wilde de mo-opleidingen afschaffen. Dat kwam hem op felle protesten uit het veld te staan. De VBSP gaf opdracht om onderzoek te doen naar het civiel effect van de mo-opleidingen pedagogiek. Uit het rapport De M.O.-opleidingen pedagogiek: huidige situatie en nieuwe mogelijkheden (Versloot, 1977) bleek dat de afgestudeerden pedagogiek slechts voor een zeer beperkt deel in leraarsfuncties terechtkwamen en vooral hun weg vonden naar middelbare en hogere kaderfuncties in het pedagogische veld. De opvolger van Van Kemenade, Pais, vond de mo-opleidingen aangenaam goedkoop en liet ze onaangeroerd, maar diens opvolger Deetman, die onder Van Kemenade staatssecretaris was geweest, haalde het plan tot opheffing weer uit de kast. Het rapport van Versloot moet een belangrijke onderbouwing geleverd hebben voor het besluit van Deetman om de toenmalige mo-opleidingen als de initiële en de Hogere Kaderopleiding Pedagogiek in een lerarenvariant en een algemene beroepenvariant in de HBO-Wet op te nemen. Die geschiedenis mag dienen als voorbeeld van hoe onderzoek de politiek overtuigen kan. Vanaf het midden van de jaren negentig werden, in het verlengde van die deeltijdopleidingen pedagogiek, voltijdse gesubsidieerde opleidingen hbo-pedagogiek ingericht. Ze zijn sindsdien sterk gegroeid. Van de huidige 10.000 bachelorstudenten kiest slechts drie procent de lerarenvariant. 



Naar homepage







Reacties op dit artikel:


- Nog geen reacties

Uw reactie, mening:
Vul het volgende veld niet in:
Naam:
Email:
Bericht:

Uw reactie is niet anoniem. Uw IP adres zal worden opgeslagen.