Pedagogiek
in praktijk

Is er nog iemand die Marx mist? (Redactioneel PiP 103, juni 2018)

Naar aanleiding van de tweehonderdste geboortedag van Karl Marx op 5 mei jongstleden is er in tal van kranten en tijdschriften weer stevig op los herdacht. In de meeste beschouwingen lag het accent op de ontsporingen van de communistische samenlevingsexperimenten, die op zijn denken teruggrepen en waaraan op de een of andere manier een einde kwam met de val van de Berlijnse Muur in 1989. Daardoor bleef de waarde van zijn methode van permanente kritiek op de kapitalistische economie in ontwikkeling meestal buiten beeld. Die kritiek mag niet in de vergetelheid raken.


Het is nu nauwelijks meer voorstelbaar, maar in de jaren zeventig hoorde je de naam Karl Marx onder studenten sociale wetenschappen voortdurend. Het is te vergelijken met de manier waarop in de afgelopen tien jaar het neurobiologisch jargon de pedagogiek en de psychologie is gaan beheersen. Zoals vandaag de dag geen opvoedingsverschijnsel beschreven wordt zonder termen als ‘onderontwikkelde prefrontale cortex’ en ‘oxytocine’ te gebruiken, werden in die tijd steevast begrippen als ‘uitbuiting’ en ‘vals bewustzijn’ in het geding gebracht. En ook toen kende men de publicaties waarop de ideeën waren gebaseerd alleen maar uit de tweede of de derde hand.

De maatschappelijke systemen achter het IJzeren Gordijn waren een reëel bestaand alternatief; je kon ernaartoe om een kijkje te nemen. De Berlijnse Muur stond krap tien jaar toen we in 1972 vanuit Utrecht als eerste westerse buitenlandse universitaire delegatie met dertig studenten de Von Humboldt Universtät bezochten. In het openbaar vervoer in Oost-Berlijn (Berlin Hauptstadt der DDR) was het regime goed voelbaar. Als je een praatje aanknoopte, kon het gebeuren dat er twee laarzen naast je kwamen staan om je gesprekspartner duidelijk te maken dat dat niet de bedoeling was. De discussies in de gebouwen aan Unter den Linden en in het Haus des Lehrers aan de Alexanderplatz leken idealistisch en open, maar uiteindelijk bleek het toch niet om meer dan ontmoetingen van verschillende werelden te gaan. De muur was niet gebouwd om eigen burgers binnen te houden, maar om het imperialisme buiten te houden. Het was een antifascismemuur, werd ons verteld.

Omdat het me bleef storen dat ook in Utrecht iedereen over Marx sprak, maar niemand hem gelezen had, schafte ik in de loop van de jaren zeventig de Marx-Engels Werke in 45 delen aan. Ik ontdekte dat het veel meer te bieden had dan de schrale schema’s die de discussie aan de universiteit beheersten. Zo leerde ik wat het betekende dat de basis de bovenbouw niet determineerde maar conditioneerde. Ik zag dat Marx’ economische voorspellingen niet waren uitgekomen en snapte waarom in de discussie tussen Karl Kautsky en Eduard Bernstein de revisionist Bernstein het gelijk aan zijn kant had gekregen. Maar ik zag bijvoorbeeld ook dat het veel opleverde om de ontwikkeling van de verhouding tussen ouders en kinderen door de tijd heen als economische verhouding te analyseren. Het boekje dat ik erover schreef is nooit verschenen. Het lag gezet en wel klaar, maar begin jaren tachtig raakte Marx uit de mode. In het kader van de herdenking van Marx’ honderdste sterfdag, in 1983, zijn nog heel veel boeken over zijn werk verschenen. Ze zijn stuk voor stuk in de ramsj terechtgekomen. In het huidige pensioendebat, waarin jongeren voortdurend aan het kortste eind trekken, wordt Marx node gemist.

Achteraf bezien heeft de stem van Marx in de jaren zeventig in vele toonaarden geklonken en de kritiek erop ook. De ondanks de oliecrisis door het kabinet-Den Uyl doorgezette uitbreiding van de verzorgingsstaat en vergroting van de medezeggenschap werd door tegenstanders gezien als poging om de communistische heilstaat te stichten. Het onderwijsbeleid van minister Van Kemenade was doortrokken van een authentiek geloof in de mogelijkheid van bestrijding van achterstanden. Begin jaren tachtig besloeg de collectieve sector meer dan zestig procent van het nationaal inkomen en was daarmee onbetaalbaar geworden. De economische crisis van die jaren werd bestreden met privatisering en bevordering van marktwerking in alle sectoren van de samenleving en daarmee was Marx voorgoed de rug toegekeerd. Dat de kinderopvang in Nederland nooit een basisvoorziening is geworden, is daarvan een rechtstreeks gevolg.

Dat permanente kritiek op de kapitalistische economie in ontwikkeling onontbeerlijk is, is de afgelopen decennia meer dan duidelijk geworden. Als er geen rem gezet wordt op monopolievorming heft het kapitalisme zichzelf op. Zonder concurrentie gaat het niet, dat was altijd al duidelijk. Maar concurrentie kan ontwrichtend zijn. Ze kan tot gevolg hebben dat banken hun klanten geen financiële zekerheid verschaffen, maar juist te gronde richten; dat autofabrikanten vervalste specificaties verstrekken; dat sigarettenfabrikanten hun producten met opzet verslavend maken. Mogen we het onderzoek van het CBS naar verslaving aan de sociale media en de Monitor Brede Welvaart van hetzelfde instituut als bronnen van broodnodige kritiek beschouwen?

 

Bas Levering, hoofdredacteur



Naar homepage